De Volkskrant 04 04 2002

Met het platteland verdwijnen ook de dialecten

In de 21ste eeuw neemt de stad definitief bezit van het platteland. Stedelingen, boeren en buitenlui spreken straks hun eigen variant van het Algemeen Aanvaard Nederlands. Taalkundige Jan Stroop: 'Er ontstaat een parkstad in de taal.'

Jan Stroop, taalkundige en dialectoloog aan de Universiteit van Amsterdam, ziet met leedwezen toe hoe het onvermijdelijke zich voltrekt. Hij is nu eenmaal een liefhebber van het ABN, 'de taal waaraan je niet kunt horen waar iemand vandaan komt'. Ook de dialecten is hij zeer toegenegen. Maar ABN en dialecten, zegt hij, zullen verdwijnen. In Parkstad Nederland spreken we straks 'een soort mengvorm, een Algemeen Nederlands met regionale kleuring'.

Het AAN als veelkleurige eenheidstaal, de dood van het eenduidige ABN: de oude dichter Vondel keert zich om in zijn graf. Hij was in zijn Aenleidinge ter Nederduytsche dichtkunst (1650) een van de pleitbezorgers van een gecultiveerde eenheidstaal, waarin de boerse ai werd vervangen door de ei en de uu door de ui. 'Deze spraak wordt tegenwoordig in 's-Gravenhage, de Raadkamer der Nederlandse Staten en het Hof van de Stedehouder, en te Amsterdam, de machtigste koopstad ter wereld, allervolmaaktst gesproken, bij eenieder van goede opvoeding.'

Gedragen door grootgrondbezitters, dominees en officieren, 'allemaal mensen uit het gewest Holland', verspreidde de 'Hollandse vernieuwing' zich door de rest van de republiek. Het mooiste voorbeeld van taalkolonisering werd al in 1927 beschreven in De Hollandse expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in de dialecten van G.G. Kloeke: de verovering van Het Bildt, een op kosten van Hollandse regenten ingepolderd gebied in noord-west Friesland. Daar gingen de Friese landarbeiders na verloop van tijd over op de taal van de Hollandse herenboeren, een ontwikkeling die van Het Bildt een Hollandse taalkolonie in het Friese maakte - wat het nog steeds is.

Maar een nieuwe taalkolonisering van het platteland door de stad blijft achterwege. De taal van Parkstad Nederland wordt niet bepaald door de koloniserende stedeling, maar komt volgens Stroop tot stand onder invloed van andere ontwikkelingen: het ineenvloeien van dialecten en ABN. Zo verandert Nederland, van een land waar ABN en dialecten naast elkaar bestonden en de meeste mensen landstaal én dialect beheersten, langzaam maar zeker in een land waar Algemeen Aanvaard Nederlands wordt gesproken.

Volgens Stroop zal op den duur van de Nederlandse dialecten niet meer overblijven dan 'een accent, een klankkleur'. Het eigen idioom van de dialecten is al langer dan een eeuw aan erosie onderhevig en zal uiteindelijk sneven. 'De oude klassieke dialecten zoals die rond 1900 bestonden, bezitten nu denk ik nog een kwart van de specifieke kenmerken. Bij de mensen van middelbare leeftijd tenminste. Bij jongeren nog minder.'

Stroop ziet twee ontwikkelingen die van Parkstad Nederland ook 'een parkstad van de taal' zullen maken. In de eerste plaats is sprake van convergentie van dialecten. Dat proces begon rond 1900. Stroop: 'Rond dat jaar verscheen in veel plaatsen de tram. Die verbond plaatsen die daarvoor nooit contact met elkaar hadden en dat had natuurlijk invloed op de gesproken taal. Bovendien werd in 1900 de leerplichtwet van kracht, en ook dat had grote gevolgen.'

Ten tweede, zegt Stroop, evolueert het ABN en straks de opvolger van het ABN, namelijk het Poldernederlands, naar de dialecten toe. 'Vroeger lagen de dialecten en het ABN mijlenver uit elkaar. Nu zie je al decennialang dat die twee uitersten naar elkaar opschuiven. De diversiteit wordt steeds geringer, de onderlinge beinvloeding daardoor steeds gemakkelijker.' En zo, constateert Stroop, ontstaat een soort 'middentaal', waarin alleen de regionale klankkleur nog zal verraden uit welk gedeelte van de Parkstad de spreker afkomstig is.

Stroop verwijst naar hoogleraar geschiedenis van de stedenbouw Auke van der Woud, die in Nederland het spoedige einde van de historische tegenstelling tussen stad en platteland voorspelt. Dat einde zal zich, denkt de dialectoloog, ook in de taal voltrekken. Hij hoort tegenwoordig boeren spreken zonder dat hij kan vaststellen waar ze vandaan komen. Dat acht hij een sterk signaal.

'Het Nederlands van de villabewoner in het dorp staat nu al heel dicht bij dat van de oorspronkelijke bevolking.' Wellicht gaat de villabewoner straks samen met de dorpsbewoner naar de taalcursus Sallands dialect of de kerkdienst in het Achterhoeks. De belangstelling voor de regionale talen, zeggen de propagandisten van het dialect, bloeit immers als nooit tevoren. Stroop herkent de weemoed die zich ook op andere gebieden in Parkstad Nederland manifesteert: 'Die zogenaamde opleving heeft niets te maken met de feitelijke situatie. Het is iets kunstmatigs, pure nostalgie of aanstellerij.'