09 01 2002 Twentsche Courant

Gerrit Kraa, handelsreiziger in ’t plat

Door Bert Hellegers

BORNERBROEK - Als eerste streektaalconsulent van Twente zette Gerrit Kraa het dialect in de etalage. Het land is omgeploegd, constateert hij bescheiden. Door geldgebrek kan er echter onvoldoende worden gezaaid, laat staan geoogst. Kraa neemt morgen dan ook met een dubbel gevoel afscheid.
Gerrit Kraa (62) neemt morgen afscheid als streektaalconsulent van Twente. 'Er moet nog zoveel gebeuren, maar het geld ontbreekt.' (foto DINAND BUISMAN)

Zelf noemde hij zich ‘handelsreiziger in ‘t plat’. Dat klinkt prettiger als streektaalconsulent, vindt Gerrit Kraa (62). Vier jaar geleden verruilde hij het onderwijs voor het Van Deinse Instituut. Zijn hobby werd zijn werk. Want Kraa was ook in de jaren daarvoor al een onvermoeibare strijder voor de Twentse taal.
Hij vervulde een pioniersfunctie. Al in de tijd dat het dialect nog voornamelijk werd afgedaan als een spraakgebrek, wees hij al op de meerwaarde van de modersproake. Voor bijvoorbeeld het aanleren van vreemde talen. En voor het beheersen van het Nederlands.
Dat is inmiddels ook wetenschappelijk aangetoond, constateert Kraa in z’n Bornerbroekse woning, langs de dijk van het Twentekanaal. Hij praat snel. In de taal van z’n geboortegrond, het Riessens. Hij heeft zich comfortabel genesteld in z’n schommelstoel, setter Nora aan z’n voeten. Naast hem een imposante boekenkast. Vooral gevuld met boeken over Twente en zijn dialect, voor een deel door Kraa zelf geschreven.

Het was vier jaar geleden een gunstig moment om als dialectconsulent aan de slag te gaan, stelt hij vast. Kraa had de taalgeleerden aan z’n zijde. ‘Die zeggen: verwaarloos het dialect niet. Als je, je eigen taal beter leert beheersen, dat geldt overigens ook voor allochtonen, dan leer je ook het Nederlands beter.’
Daarmee schermde Kraa als hij weer eens op scepsis stuitte. Zoals die keer op een ouderavond in Glanerbrug. ‘Een vader ging op staan en zei: ‘Ik wil nich dat mijn kinderen Twents leren proaten’. Ik heb hem gezegd dat zijn kinderen dan net zo’n taaltje als hemzelf gaan spreken. Dat is geen Nederlands en geen dialect. Krijg je een soort stadsplat. Beetje Herman Finkers-taal. Dat is overigens zijn handelsmerk geworden.’

De Almelose grappenmaker heeft van de nood de deugd gemaakt. Maar mooi is het niet, vindt Gerrit Kraa. Hoewel hij benadrukt dat Finkers voor de promotie van de streektaal ‘heel belangrijk’ is. Dat geldt ook voor popgroepen als Normaal, Skik en Kast. Ze hebben er mede voor gezorgd dat het dialect in brede kring weer wordt gekoesterd.
Ook het verdwijnen van de grenzen in Europa heeft de aandacht voor de eigen streek aangewakkerd, zegt Kraa. ‘Regionalisering als reactie op globalisering. En vergeet niet dat als er één Europese taal is, dan is het wel het Twents. Althans de basis daarvan, het Nedersaksich. Wie plat proat, kan zich tot ver in Duitsland verstaanbaar maken.’

Directeur Thea Kroese van het Van Deinse Instituut omschrijft Kraa als ‘een vat bomvol ideeën’ en ‘als een man met een tomeloze energie’. Het typeerde de afgelopen jaren z’n werk als streektaalconsulent in Twente. Kraa initieerde vele activiteiten. Hij ontwierp dialectlessen voor het onderwijs, bedacht dialectprogramma’s voor RTV-Oost, organiseerde mede kookwedstrijden streekgerechten en bracht via Twentaal kwalitatief hoogwaardige streektaal naar het theater.
Kraa hamerde erop hoe belangrijk het gebruik van het dialect kan zijn voor de maatschappij. Bijvoorbeeld in de zorgsector. ‘Als verpleegster of arts heb je een streep voor bij patiënten a-j plat kunt. Dat maakt het contact vaak een stuk gemakkelijker.’ Hetzelfde geldt voor het bedrijfsleven. Weer voelde Kraa zich gesteund door de wetenschap. Een onderzoek van de Universiteit Twente leert dat vele ondernemers zeggen meer te verkopen als ze dialect spreken en verstaan. Het leidde tot een stickeractie ‘Twents-Nederlands’ op balies in (openbare) gebouwen. Bezoekers kunnen kiezen voor de taal waarin ze zich het makkelijkst uitdrukken.

Er is het nodige bereikt, vindt óók Kraa. Maar, voegt hij in één adem toe, er moet nog zo ontzettend veel gebeuren. ‘We hebben het land omgeploegd. Nu zou er eigenlijk gezaaid en geoogst moeten worden.’ Door geldgebrek komt daar onvoldoende van terecht, constateert hij.
Kraa schetst als voorbeeld de huidige situatie in het onderwijs. Hij introduceerde z’n eigen lessenserie Jewilmke op basisscholen in onder meer Hellendoorn, Nijverdal, Glanerbrug, Vroomshoop en Saasveld. De dialectlessen zijn overal met enthousiasme ontvangen. Maar de menskracht ontbreekt om alle scholen te bereiken, stelt hij vast. ‘We zouden er hier in Twente eigenlijk twee tot drie steektaalconsulenten bij moeten hebben om het werk goed te kunnen doen. Maar wat gebeurt er; het wordt zelfs minder dan het al was. Het Van Deinse Instituut kan de nieuwe consulent maximaal voor 24 uur in dienst nemen.’

Kraa uit forse kritiek op de provincie, of preciezer gezegd: gedeputeerde Jan Kristen, die zich graag opwerpt als pleitbezorger van de streektaal. Kraa zegt ‘het Van Deinse Instituut niet in verlegenheid te willen brengen’, maar voelt zich in de steek gelaten door Kristen. Hij vertelt ‘ergens’ te hebben gelezen dat rijk en provincie in Friesland 20 miljoen gulden beschikbaar stellen voor een project, omdat is gebleken dat in de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar de beheersing van de Friese taal terugloopt. ‘Twintig miljoen! Hier in Twente moeten we het doen met een provinciesubsidie van 110 duizend gulden. Kristen zegt dat geld voor de poorten van de hel te hebben weg gesleept. Maar met dat bedrag - bruto! - kun je veel te weinig doen. Ik heb hem daar een brief van vijf kantjes over geschreven. Nee, daar heb ik nog steeds geen antwoord op gehad.’

‘Eerlijkheidshalve’, voegt Kraa toe, ‘moet ik zeggen dat er ook nog een budget is voor projecten, zoals wetenschappelijk onderzoek. Dat zou samen met de IJsselacademie moeten gebeuren. Bijvoorbeeld het maken van een woordenboek. Dat gebeurt hier in Twente echter wel vrijwillig. Dat draait al. Ik heb niks aan een woordenboek als je de ouders nog niet hebt kunnen overtuigen van het belang van tweetaligheid. Het is een kwestie van prioriteit.’

Zoals Kraa ook niets moet hebben van ‘spellingsgezeur’. Hij is geen freak, zegt hij. ‘Discussies of een woord met oa of ao moet worden geschreven. Tenenkrommend! Doodzonde om daar zoveel tijd in te stoppen. Beter is het om de energie te stoppen in het bereiken van de jeugd, het bedrijfsleven, de zorgsector, noem maar op.’ Kraa zal daar ook na morgen mee door blijven gaan. Nu als onbezoldigde handelsreiziger in ‘t plat. Want heel veel gaat er voor hem niet veranderen. ‘Werk wordt weer hobby.’