12 01 2001 Provinciale Zeeuwse Courant

Slechts 34 procent inwoners voorstander van officiële status

Erkennen Zeeuws stuit op weerstand

door Rinus Antonisse

VLISSINGEN - De voorstanders van een officiële erkenning van de Zeeuwse taal hebben nog heel wat uit te leggen. Hun streven wordt vooralsnog maar door 34 procent van de bevolking gesteund, toont opinie-onderzoek van de PZC, uitgevoerd door bureau isk/NOVA, aan. Van een brede steun is vooralsnog geen sprake, ook al geeft de helft van de 222 ondervraagden aan een of meerdere dialecten goed te spreken. Mannen vinden erkenning belangrijker dan vrouwen: 41 om 29 procent.
Uit de enquête valt op te maken dat erkenning door veel Zeeuwen niet als echt belangrijk wordt ervaren. Als iemand Zeeuws wil praten, doet hij dat toch wel. Van de Zeeuws sprekenden doet bijna een kwart dat met iedereen. Dit geldt met name voor de mensen die ouder zijn dan 35 jaar; van degenen die jonger zijn spreekt slechts 10 procent met iedereen Zeeuws.

Mensen met een inkomen boven modaal (meer dan 55.000 gulden) beheersen minder goed dialect dan mensen onder modaal (43 om 55 procent). `Ik kan het niet`, geeft 40 procent boven modaal aan, terwijl dat onder een modaal inkomen 30 procent is. Niet-gelovigen beheersen minder een dialect dan gelovigen: 39 tegen 27 procent. Van de ondervraagden geeft 18 procent aan een beetje dialect te spreken.

Ruim de helft, 52 procent, spreekt altijd of heel vaak dialect, 14 procent doet dat af en toe, 9 procent zelden en 26 procent die Zeeuws kent, spreekt dat nooit. Op de vraag waar Zeeuws gesproken wordt, luidt het antwoord: 16 procent alleen thuis, 14 procent in breder familieverband (verjaardagen en feestjes), 13 procent met vrienden, 10 procent met de buren, 6 procent in winkels, 8 procent op het werk met collega`s en 23 procent met iedereen.

Opvallend is dat in Goes méér mensen aangeven dialect te spreken dan in Middelburg en Vlissingen. Dat strookt met de verdeling per regio: op Zuid-Beveland aanzienlijk meer dan op Walcheren. In Middelburg scoort dialect aanzienlijk hoger dan in Vlissingen. Ook Zeeuws-Vlaanderen scoort redelijk, Schouwen-Duiveland ligt daar ruim onder. Duidelijk is dat het dialect op het platteland meer aanhang heeft dan in de steden.

Ruim tweederde van de bevolking verstaat dialect, 21 procent kan het meeste volgen, 6 procent begrijpt het een beetje, 2 procent doet dat heel weinig en slechts 3 procent verstaat geen dialect. Meer dan de helft, 56 procent, vindt het niet nodig om als inwoner van Zeeland ook Zeeuws te kunnen spreken; 41 procent stelt dat dit wél het geval moet zijn en 4 procent heeft hierover geen mening. Er is een duidelijke meerderheid, 79 procent, die vindt dat een inwoner van de provincie in elk geval Zeeuws moet kunnen verstaan; maar 19 procent is het daar mee oneens. Van de Zeeuws sprekenden vindt 53 procent dat een inwoner dialect moet kunnen spreken en meent 84 procent dat een inwoner Zeeuws moet begrijpen. Bij de niet-Zeeuws sprekenden is dat 15 procent (spreken) en 68 procent (verstaan).

Acceptatie

Zeeuws spreken leidt niet automatisch tot een bredere acceptatie door de omgeving, constateert 58 procent. Vooral mensen met een bovenmodaal inkomen wijzen samenhang tussen dialect en meer thuishoren in de samenleving van de hand (67 procent). Niet-gelovigen zijn het met die koppeling méér oneens (64 procent) dan gelovigen (52 procent). Daarentegen is 25 procent van mening dat het kunnen praten van dialect zorgt voor een betere opname in de samenleving.

Invoering van het Zeeuws als verplicht vak op school wordt door slechts 13 procent gesteund en 79 procent is het daarmee (helemaal) oneens; 8 procent heeft geen mening. Bovenmodaal is daarin nadrukkelijker (88 procent) dan ondermodaal (70 procent). Wel vindt 50 procent dat het gebruik van het Zeeuws bevorderd moet worden; 42 procent is daar tegen en 8 procent heeft geen mening. Gelovigen steunen stimulering van het dialect meer dan niet-gelovigen (54 om 44 procent). Dialect-sprekers staan meer achter bevordering van het Zeeuws (58 procent) dan niet-sprekers (32 procent).

Over de wijze waarop het Zeeuws spreken méér ondersteund moet worden, verschillen de meningen nogal. Verplichte lessen op school krijgen steun van 22 procent, 3 procent noemt plaatsnaamborden omzetten in dialect en 4 procent ziet wel wat in officiële vergaderingen in het Zeeuws. Meer dialect in familie- of huiselijke kring spreken, scholing in het Zeeuws als keuzevak op school of als gratis cursus en specifiek Zeeuwse evenementen organiseren, worden ook opgevoerd als mogelijkheden het Zeeuws meer te bevorderen, alsook acceptatie van de Zeeuwse taal op de werkvloer, op school en in de politiek.

Evenveel mannen als vrouwen (beide 49 procent) zeggen goed dialect te spreken; daarvan is 27 procent jonger dan 35 jaar, 47 procent 35 tot 55 jaar en 59 procent 55 jaar en ouder. Van degenen die geen Zeeuws spreken is 49 procent jonger dan 35 jaar. Van de jongeren geeft 36 procent aan nooit Zeeuws te spreken; onder de ouderen is dat 22 procent. Vrouwen merken op méér met iedereen Zeeuws te praten (29 procent) dan mannen (16 procent). Als het gaat om het verstaan van dialect doen jongeren onder 35 jaar dat minder (57 procent) dan mensen van 35-55 jaar (72 procent) en ouderen (71 procent). Evenveel vrouwen als mannen stellen dat een inwoner van Zeeland ook Zeeuws moet kunnen spreken (beide 41 procent); tenminste Zeeuws verstaan vindt 81 procent van de mannen en 78 procent van de vrouwen.