20 01 20001 Dagblad De Limburger (opinie)

Gevreigel aan het Limburgse taalfront

Door Guus Urlings

Het is weer eens mis aan het Limburgse taalfront. En 'front' is hier heel letterlijk bedoeld, in de zin van 'de tegenover elkaar liggende gevechtslinies van oorlogvoerende legers te velde'. De betrokken partijen slaan elkaar in dit geval weliswaar slechts met verwijten en kritiek om de oren, bevechten elkaar uitsluitend met de - scherpe en niet zelden in gal gedoopte - pen, maar dat doet aan de hitte van de strijd weinig af. Is dat een slechte ontwikkeling?

Ja en neen. om met het 'neen' te beginnen: het gegeven dat zovelen, van pure liefhebbers tot taalkundgen en politici, zich telkens weer met overgave in de discussie over het Limburgs storten, betekent in ieder geval dat die taal nog volop leeft, velen na aan het hart ligt. Was het Limburgs een dood paard geweest, dan werd het nu waarschijnlijk enkel door een handvol specialisten uitgebeend in stoffige  achterkamertjes van taalinstituten. Maar als het over de Limburgse taal gaat, verheffen zich vele stemmen. Dat zorgt voor leven in de brouwerij, niet in de laatste plaats omdat al die meningen de discussie kruiden met een rijke melange van betweterij, dikdoenerij, nostalgie, populisme. Een taal waarin en waarover zoveel gekissebist wordt, blijft in beweging. Een taal die niet beweegt, is dood.

Dan het 'ja'. Het voortdurende geruzie aan het Limburgse taalfront kan een slechte zaak zijn. Met name als het niet meer gaat over het wezen van de taal, maar over de vraag: wie bepaalt hoe de belangen van die taal het best gediend worden?
Het provinciaal bestuur van Limburg heeft na lang wikken en wegen besloten eindelijk maar eens serieus werk te gaan maken van de promotie van het Limburgs. Een Raod veur 't Limburgs - een taaladviescommissie en een speciale streektaalfunctionaris moeten de kennis van de Limburgse taal gaan bevorderen, de belangstelling voor het gebruik van die taal aanwakkeren

Onmiddellijk barst de strijd los. Niet over de vraag hoe dat 'bevorderen' en 'aanwakkeren' in de steigers moet worden gezet om een optimaal rendement te behalen. Nee, de discussie gaat over procedures. Over de samenstelling van de Raod veur 't Limburgs. Over de keuze van de streektaalfunctionaris, de opzet van de sollicitatieprocedure. Over de inspraak van Provinciale Staten in die procedures.

De Statenfractie van de Partij Nieuw Limburg (PNL), die zich graag en veelvuldig opwerpt als dé pleitbezorgster voor 'het eigene' van Limburg, voelt zich geschoffeerd omdat Gedeputeerde Staten wat al te snel -en zonder de gewenste brede discussie- aan de haal zijn gegaan met haar mooie taalideeën. Veldeke, het traditionele dialectbolwerk van Limburg, verwijt PNL het pronken met andermans veren, om niet te zeggen het (uit politiek opportunisme) jatten van ideeën waarmee Veldeke al langer aan de slag was.

Twee andere Limburgse dialectgroeperingen, de stichting Dialect en Cultuuronderwijs Limburg (DOL) en de werkgroep Algemeen Geschreven Limburgs (AGL), voelen zich opzij gezet door 'het bolwerk Veldeke' dat op eigen houtje de sollicitatieprocedure voor de functie van streektaalfunctionaris heeft geregeld. En prompt slechts één kandidaat - uit eigen gelederen - heeft voorgedragen. Gedeputeerde Staten hebben van DOL, AGL en Provinciale Staten de wind van voren gekregen omdat ze zich te zeer door Veldeke laten leiden. "De schijn van partijdigheid", "een voorgebakken zaak", "niet zuiver", roepen de fractiewoordvoerders.

De "maalstroom van tegenstellingen in het Limburgse dialectwereldje", om gedeputeerde Martin Eurlings te citeren, draait weer op volle toeren. De mensen hebben weer iets om over te praten, de kranten hebben weer iets om over schrijven. Daar is niets op tegen. Alleen: waar gáát het eigenlijk om? De betrokkenen zullen om het hardst roepen dat zij enkel het belang van de Limburgse taal voor ogen hebben. Maar wie de discussie volgt, bekruipt toch het gevoel dat het ook, misschien wel vooral, gaat om macht, om prestige. Wie krijgt het voor het zeggen, wie mag zich de autoriteit noemen?

Veldeke werpt voortdurend zijn ledental, zijn in tientallen jaren opgebouwde deskundigheid in de strijd. DOL en AGL zetten zich af tegen het behoudzuchtige, soms wat oubollige bolwerk Veldeke, willen meer ruimte voor vernieuwing, verlevendiging, hedendaags taalgebruik. En de politici?
Die willen wat politici altijd willen: laten zien hoe goed ze het met ons (en in dit geval met onze taal) voorhebben.
Moet dat nou? Als AGL de provincie verwijt dat ze meedoet aan het verspreiden van bierviltjes met dialectspreuken, omdat zoiets het oubollige kroeg-imago van het Limburgs benadrukt dan denk ik: wat een gezeur. Laat gewoon, meer nog dan nu, zien dat er met Limburgs veel méér mogelijk is. En laat iedereen zelf kiezen wat hij/zij het leukste vindt. Als Veldeke het pleidooi van AGL voor een algemene Limburgse schrijftaal neersabelt, dan denk ik: waarom zou je daar niet naar streven? Al is het maar om van alle leesblindheid bevorderende trema's, accenten en (drie)dubbelklinkers af te zijn.

De Limburgse taal is van de mensen die haar spreken. Als er dan zo nodig een officieel kader omheen moet, dan toch een kader dat ruimte en kansen geeft aan een breed scala van meningen en opvattingen. En aan de bonte variatie van gebruiksvormen, van platte carnavalsschlager tot literair meesterwerk, die elke levende taal eigen is. Een richtinggevend kader, een raamwerk voor discussie en vernieuwing, niet gericht op regelgeverij en gelijkhebberij, maar op liefde voor de taal.
Het Limburgs verdient meer en beter dan het op dit moment krijgt. Maar degenen die de pretentie hebben voor dat meer en beter te kunnen zorgen, hebben het voorlopig te druk met vreigele. Mooi Limburgs woord, vreigele. Maar het leidt tot niets.

G. Urlings is journalist bij deze krant