30 08 2000
advies aan de Provinciale Staten inzake het AGL

door Rob Belemans
Universiteit Leuven

Advies inzake het initiatiefvoorstel 'Et Rech van et Limburgs' voor een Algemeen Geschreven Limburgs (AGL) van de Partij Nieuw Limburg.

Het door de PNL ingediende voorstel behelst de invoering van nieuwe schrijftaal in Limburg, die door het besluit van Provinciale Staten de status van officieel geschreven Limburgs zou moeten krijgen. Dit AGL kan - dat erkennen de initiatiefnemers zelf ook (blz. 22) - geen rekening houden met de talrijke verschillen die er tussen de Limburgse dialecten onderling bestaan. Ze kan ook geen grootste gemene deler van die lokale verschillen zijn. 'Dat betekent voor het geschreven Limburgs dat in een aantal gevallen concessies aan het Limburgs zoals dat feitelijk gesproken wordt moeten worden gedaan' (blz. 22). Het AGL kan dus m.a.w. voor geen enkele Limburger de precieze geschreven weergave van zijn dialect zijn, maar hooguit een geschreven kunsttaal die zijn dialect benaderend weergeeft. Hoe groot die gelijkenis tussen gesproken Limburgs en AGL is, hangt voor iedere dialectspreker af van de mate waarin zijn plaatselijke dialect dan meetelt in het vereenvoudigings- en normeringsproces dat de ontwikkeling van zo een AGL zou betekenen. Dat geldt overigens niet enkel - zoals het PNL-voorstel suggereert - voor de fonologie (de klankvorm) van de Limburgse dialecten maar zeker ook op het morfologische en grammaticale vlak, waarop de Limburgse dialecten evenmin een eenheid vormen als in de uitspraak.

Hetgeen in dit voorstel nogal lapidair als 'concessies in een aantal gevallen' wordt afgedaan betekent dus in feite dat iedere mogelijke concrete invulling van zo een AGL voor sommige Limburgers dicht zal aansluiten bij hun Limburgse streektaal en (wellicht een groter gedeelte) andere Limburgers op dat vlak in de kou zullen blijven staan. In het ergste geval leidt dit plan tot de creatie van een schrijftaal waarmee geen enkele dialectspreker enige affiniteit voelt. Ook wanneer het AGL uiteindelijk wel representatief zou zijn voor een deel van de Limburgse dialecten - al blijft de vraag open hoe zo'n grootste gemene deler in de praktijk tot stand gebracht zou moeten worden - dan nog lijkt een dergelijke vorm van ongelijke behandeling tussen Limburgse dialectsprekers mij absoluut ongewenst en te vermijden.

Het feit dat de Limburgse dialecten in het verleden weinig bijgedragen hebben tot de normering van het Algemeen Nederlands is bij de erkenning van de Limburgse streektaal onder deel II van het Europees Handvest voor streektalen en talen van minderheden een belangrijk argument geweest. De officiële erkenning van de Limburgse dialecten als streektaal is een manier om die stiefmoederlijke behandeling uit het verleden en de gevolgen op persoonlijk-emotioneel vlak (het zich als minderwaardig beschouwd voelen van de Limburgse dialectsprekers) en op maatschappelijk vlak (het afnemend gebruik van de Limburgse dialecten) een halt toe te roepen.

Het lijkt me niet te verantwoorden mochten Provinciale Staten enkele jaren na die erkenning via dit AGL-idee zelf de discriminatie tussen de Limburgse dialecten gaan invoeren en institutionaliseren.

In het PNL-voorstel wordt op blz. 19 gewag gemaakt van een 'Kómmissie Algemein Gesjreve Limburgs', die reeds van 1995 tot 1999 aan de slag blijkt geweest te zijn. Het is opmerkelijk en betreurenswaardig dat het voorstel niet vergezeld gaat van enig resultatenverslag van die werkzaamheden; ook niet in de vorm van een zeer voorlopig voorstel of model van concrete invulling van het AGL-idee. Dat had namelijk de mogelijkheid geboden om het voorstel in concreto te toetsen aan het hierboven aangehaalde bezwaar ertegen. Het zou ook bijgedragen hebben tot een duidelijkere beeldvorming, ook bij de publieke opinie, over wat dit PNL-voorstel concreet wenst te realiseren.

De PNL wil naar eigen zeggen met dit AGL in het Limburgse dialectlandschap 'van de sprekers schrijvers' en van de 'verstaanders goede lezers' maken. Beantwoord deze doelstelling aan een reële behoefte binnen het Limburgs gebied? Sterker nog: heeft ze zelfs een minimaal maatschappelijk draagvlak van een minderheid van de Limburgers of Limburgse dialectsprekers? Ik vrees dat de antwoorden op deze vragen enkel negatief kunnen zijn.

de dialecten -ook de Limburgse- zijn in de allereerste plaats spreektalen. Sloganesk geformuleerd: streektaal is spreektaal. Dat doet de dialecten in wezen verschillen van het Algemeen Nederlands als genormeerde landstaal. Het AN is vanaf de 16de eeuw ontwikkeld als een schrijftaal en heeft vervolgens als gesproken normtaal ingang gevonden in heel het Nederlandse taalgebied. De Nederlanders en de Vlamingen die op school het AN als schrijftaal leren gebruiken en het ook leren spreken, zijn daarnaast -en dat geldt vandaag de dag nog steeds voor een deel van hen- altijd en vaak op de eerste plaats sprekers van hun lokale dialect gebleven. De landstaal is gaandeweg wel een concurrent van het dialect geworden in het mondelinge inheemse taalverkeer, maar heeft vanaf haar ontstaan een monopolie gehad in het schriftelijk taalgebruik. Voor de tweetaligen -dat zijn de dialectsprekers tenslotte toch- impliceert dit een steeds duidelijke, maar daarom niet voor de hele groep eenvormige domeinscheiding in hun mondelinge taalgebruik. Iedere dialectspreker bepaalt zelf wanneer hij zijn lokale variant van de Limburgse streektaal bezigt en wanneer de landstaal. Afhankelijk van persoonlijke voorkeur, competentie, regionale verschillen en andere factoren kan er daarbij een evenwichtige verdeling of een overwicht van een van beide taalsystemen zijn.

De schrijftaal staat echter volledig buiten dit bilinguale plaatje. Het gebruik van Limburgs in geschreven vorm is in omvang zeer beperkt en heeft steeds een duidelijk artistieke of lokaal-gebonden bedoeling. Bovendien hechten Limburgers die in hun dialect schrijven steeds het allergrootste belang aan het feit dat het ook zichtbaar hun eigen lokale dialect is dat daar op papier gebracht wordt. Een groot percentage van de spellingsvariatie in geschreven Limburgs vindt juist daar zijn oorsprong: in het loutere feit dat de auteur absoluut duidelijk wil maken dat hij zich bij deze geschreven communicatie niet alleen niet van de landstaal bediend heeft, maar juist van zijn dialect met alle verschillen ten opzichte van de andere Limburgse dialecten, met name die uit de onmiddellijke geografische omgeving.

Men kan zich van het voorgestelde AGL dan ook met recht afvragen wie daar ooit gebruik van zou maken, gesteld dat het mogelijk zou zijn om zo eem algemeen-Limburgse schrijftaal te ontwikkelen en ze ook met breed-maatschappelijke consensus ingang te doen vinden. Met zekerheid is de boude bewering op blz. 22 onwaar, dat 'de Limburgse taal' (ook in gesproken vorm) verdwijnt, wanneer er nu geen AGL als referentiepunt ontwikkeld wordt. Een kunstmatig ontwikkelde schrijftaal, die het AGL alleen maar kan zijn, heeft m.i. geen enkele invloed positief of negatief op de verdere evolutie van de Limburgse dialecten als gesproken taalsystemen.

Op blz. 20 van het voorstel wordt gesuggereerd dat een 'belangrijke literatuur in het Limburgs' nog zou moeten ontstaan. En dat het AGL hiertoe een voorwaarde is. Ik vind deze uitspraak van de PNL een kaakslag voor de verdienstelijke Limburgse auteurs uit heden en verleden, die in proza en poëzie hun dialect te boek gesteld hebben.Men mag vaststellen dat een Limburgse dialectliteratuurgeschiedenis alsnog een desideratum is, maar dat die geschreven kan worden staat buiten kijf. Bovendien wordt hier door de PNL ontkend dat de toch niet zo weinige Limburgers die vandaag op eigen houtje of in schrijverskringen literair actief zijn een onderdeel vormen van de Limburgse cultuurbeleving in Limburg.

Het is zeker verbazingwekkend dat de Partij Nieuw Limburg een initiatief meent te kunnen nemen met betrekking tot de Limburgse dialecten in hun geheel (het Limburgs noemt zij dat) zonder dat daarbij de situatie en de mogelijkheden ter zake in de provincie Belgisch Limburg -toch de helft van het Limburgse taalgebied- ook meer ter sprake gebracht worden.

War de wettelijke mogelijkheden in Belgisch Limburg op dit vlak aangaat, valt het volgende op te merken. De Belgische grondwet bepaalt in artikel 23 dat in België een vrij grote taalvrijheid gegarandeerd moet zijn. Enkel voor bestuurs- en rechtszaken zijn de Belgen bij wet verplicht om zich van één van de drie officiële landstalen te bedienen. (Via specifiekere taalwetten geldt datzelfde ook voor het officieel erkende onderwijs in België). Zelfs als het Belgisch Limburgse provinciebestuur dat wenselijk zou achten, kan het bijgevolg de door de PNL geformuleerde doelstelling om het gebruik van het AGL na invoering op de eerste plaats te stimuleren in de publieke sector i.e. in de rechtbank, gemeente, de provincie, het onderwijs' niet effectief en krachtdadig ondersteunen. Het provinciebestuur zou zelfs geen besluit kunnen uitvaardigen om het gebruik van zo een AGL in de eigen administratie mogelijk te maken, vermits dit niet strookt met het genoemde grondwetsartikel.

Ook het bestaan van een maatschappelijk draagvlak voor het AGL-idee bij de Belgische Limburgers mag zeer twijfelachtig genoemd worden. De eerste resultaten van een zeer recente enquête over Limburgse identiteit en dialecticiteit in Belgisch Limburg wijzen eerder op een afkerige houding van de Belgisch Limburgers ten aanzien van dit voorstel. Van de bijna 600 Limburgers die deze enquête tussen midden juli en eind augustus 2000 via internet invulden antwoordt alvast 56% negatief op de vraag: 'Moet er een Algemeen Geschreven Limburgs ingevoerd worden?'. 22% van de ondervraagden heeft hierover geen mening en nog eens 22% zegt ervoor te zijn. Belangrijk is daarbij dat de groep ondervraagden voor het overige wel zeer positief blijkt te staan ten opzichte van de Limburgse dialecten in het algemeen. Bovendien gaat het voor een groot deel om Limburgers tussen 20 en 55 jaar met een hogere opleiding. Een segment van de Limburgse bevolking dus waar de PNL alvast meende dat het zit te wachten op de invoering van zoiets als het AGL.

De PNL formuleert plannen voor het tot stand brengen van een Algemeen Geschreven Limburgs in dit stuk erg ruim en vaag. Over hoe dat concreet en in de praktijk gevolg moet krijgen staan op blz. 20 van het voorstel enkele summiere gegevens. Daar is sprake van de ontwikkeling van een 'Diksjonaer van et Algemein Gesjreve Limburgs' (op basis van een reeds bestaande, maar regionale dialectpublicatie), van een CD-rom-versie van diezelfde 'Diksjonaer', van een volledige Limburgse grammatica en van vertaalwoordenboeken Limburgs-vreemde talen. Het blijft echter bij deze beknopte intentie-opsomming, zonder concreet werkplan, kostenraming of doelgroepenonderzoek. Ook over de vraag wie deze projecten met welke expertise zou kunnen realiseren, wordt opvallend gezwegen. Dat alles wekt de indruk dat dit PNL-voorstel in wezen vooral ook een wat gecamoufleerde subsidieaanvrage wil zijn voor een binnen de Nederlandse en Limburgse dialectologische vakwereld verder onbekend 'Instituut veur de Limburgse Sjpraok en Kultuur'. Aan deze schimmige instelling wil de PNL via dit voorstel kennelijk een blanco cheque bezorgen.

Op basis van deze bezwaren tegen het Algemeen Geschreven Limburgs zoals dat in het PNL-stuk voorgesteld wordt, meen ik de Provinciale Staten van Limburg te moeten adviseren om dit initiatief niet te ondersteunen en aan het door hen voorgestelde ook anderszins geen gevolg te geven.

Rob Belemans
20 augustus 2000