Frans Bakker / Dagblad De Limburger 29 07 2000 / opinie
 
Limburg heeft taalplanners nodig
 
'Het Limburgs moet blijven bestaan.' Een prachtige stelling voor een waardeloze enquête. Alleen al de term 'het Limburgs' heeft tot talloze misverstanden geleid. Want de erkenning geldt voor alle streektalen in Limburg, van Mesch tot en met Molenhoek. Door een betere voorlichting had de provincie veel nodeloze polemieken kunnen voorkomen. Wie weet hebben diverse dames en heren zich op het gouvernement suf vergaderd, maar het zijn de resultaten die tellen. Van concrete maatregelen, om nog te zwijgen van een taalbeleid, is geen spoor te bekennen. Geen van de plannen die al van vóór de erkenning dateren, is nog verwezenlijkt: een streektaalfunctionaris, een leerstoel Limburgs, een Limburghuis. Ondertussen verzwakken onze streektalen verder.
 
De provincie weet precies wat er nodig is om een brug te bouwen, maar ze heeft geen enkele kennis in huis over taalplanning. Dat is niet erg, als ze maar weet waar ze die deskundigheid moet zoeken. Als het om streektalen gaat, richt de provincie zich werktuiglijk tot Veldeke Limburg. Maar deze vereniging kampt met een schreeuwend gebrek aan kader (en slagvaardigheid). Veldeke Limburg kan beschikken over een handjevol kundige dialectologen, maar ook zij zijn geen taalplanners. Taalplanning is een vak apart dat vooraf de maatschappelijke positie van een taal onderzoekt. Zo onderzoeken taalplanners het aantal en het percentage sprekers, of die hun
taal waarderen en kunnen lezen en schrijven, of media en overheid haar gebruiken, zo ja in welke mate. Op grond van de resultaten kunnen taalplanners precies aangeven welke maatregelen er nodig zijn om de positie van een taal te versterken. Op hun bevindingen kan de overheid haar taalbeleid baseren. Zeker met een beperkt budget is het handig te weten hoe je dat geld zo doelmatig kunt besteden.
Waar is die kennis te vinden? In Friesland of - nog dichterbij voor onze 'meest Europese provincie' - in Brussel bij het Bureau voor Minderheidstalen, een EU-instelling waar ook 'het Limburgs' geregistreerd is!
 
Maar terug naar onze enquêtevraag 'Het Limburgs moet blijven bestaan.' Wat betekent 'blijven bestaan'? Niet alleen het percentage streektaalsprekers neemt af, ook de zuiverheid van de eigen taal. Nederlandse woorden en constructies vervangen in hoog tempo de oude Limburgse en zeker niet alleen bij jonge sprekers! Dat eigen woorden voor verdwenen zaken als 'dorsvlegel' of 'oogstfeest' verloren gaan, is geen ramp. Zorgwekkender is dat gewone, alledaagse streektaalwoorden verdwijnen. Zo wordt get (in het noorden wet of wat) stilaan verdrongen door iets en nemen 'mekaar/ elkaar'-constructies de plaats in van constructies met zich (v'r kinne ós) en ein (v'r kalde mèt ein). Hoe ver mag die vernederlandsing gaan en hoeveel streektaalsprekers moeten er overblijven, wil het nog de moeite waard zijn om Limburgs streektalen te koesteren? Dit lijken academische vragen, maar de provincie moet daar toch een idee over hebben om te kunnen beoordelen of eventuele beschermende maatregelen effectief zijn.
 
De PNL komt de eer toe de 'erkenning' weer in het nieuws te hebben gebracht. Op haar ideeën valt het een en ander af te dingen, maar wat moet er dan wél gebeuren? De provincie heeft - bij mijn weten - nooit en detail aangegeven welke maatregelen ze nodig acht en vooral hoe en wanneer ze die wil nemen. Is zij bijvoorbeeld voorstander van een geschreven, Limburgse eenheidstaal? Zo nee, hoe wil zij al die streektalen in stand houden? Een streektaalftunctioris is nodig, maar wat moet hij -of zij- concreet bereiken en hoe? Welke taken en bevoegdheden krijgt hij of zij?
 
Een gedegen onderzoek van de Limburgse streektaalsituatie is een allereerste voorwaarde om effectieve maatregelen te kunnen nemen. Mogelijk is daar Europees geld voor beschikbaar. Maar dit mag geen reden zijn om in de tussentijd niets te doen. Zolang ze nog geen wezenlijke maatregelen kan nemen, moet de provincie alvast tonen dat het haar ernst is en minstens symbolisch gebruik maken van de streektaal: af en toe openbare vergaderingen in de streektaal, tweetalige opschriften en briefpapier (desnoods per afdeling een ander dialect als de Limburgse versie), aandacht voor de streektaal in haar eigen provinciale musea.
Verder moet ze vooral uit blijven leggen wat de erkenning inhoudt en waarom zij het behoud van de streektalen belangrijk vindt. Vier jaar 'radiostilte' na de erkenning is niet de beste manier om de moed erin te houden.
 
Suggesties voor eerste volgende stappen: de Veldeke-spelling eindelijk voor alle streektalen in Limburg geschikt laten maken en stroomlijnen. Het invoeren van 'Limburgs' op scholen is een paar stappen te ver. Laat de provincie er eerst voor zorgen dat iedere belangstellende bij de dichtstbijzijnde volksuniversiteit goede cursussen in en over streektaal kan volgen. Een geschreven eenheids-Limburgs (in de nieuwe Veldeke-spelling) kan dienen als neutraal medium voor een Limburgse grammatica en een kernwoordenschat, al is het maar als model voor plaatselijke streektalen. Ook in publicaties van de provincie kan dit als neutrale variant dienst doen. Voor de bewoners in noordelijk Limburg en de oostrand van Zuid Limburg voldoet dat medium in verste verte niet. Voor die gebieden zou ze alternatieve versies moeten verzorgen. Net zoals Friesland rekening houdt met niet-Friese streektalen in die provincie.
Formeel is de provincie tot niets verplicht. Maar ze heeft hoge verwachtingen gewekt door -ondanks ontbreken van een breed gedragen taalbeweging- de erkenning van onze streektalen als minderheidstaal aan te vragen en eerste plannen te ontwikkelen. Maar na zeker vier jaar wachten op concrete en structurele maatregelen, lijkt het erop de dat de streektalen op het gouvernement geen enkele prioriteit hebben.
 
Frens Bakker, Nijmegen is taalkundige