Paul Prikken / Limburgs Dagblad 05 09 2000 / In gesprek
 
'Dialecthobby'
 
In het artikel "Woordenstrijd over dialect", verschenen in het LD op zaterdag 26 08 2000, katern 'Regio' wordt provincieraadslid mevrouw Helma Gubbels geciteerd, die het heeft over het gebrek aan draagvlak voor een Algemeen Geschreven Limburgs en "een selecte groep mensen met de streektaal als hobby".
Deze denigrerende voorzet wordt vervolgens ook nog eens verlengd naar PNL-fractievoorzitter Fons Zinken, die in het artikel ook "zo'n hobbyist" wordt genoemd.
 
Ik vind het nogal elitair dat provincieraadsleden, die moeten waken over het behoud van de taalcultuur, de aanzet geven tot dit neerbuigend woordgebruik.
Inderdaad: er zijn in Nederlands Limburg 28 plaatselijke dialectwoordenboeken verschenen en die zijn allemaal stuk voor stuk door hobbyisten gemaakt, omdat de provincie er geen poot naar uitsteekt.
Het jongste dialectwoordenboek "Zösterse Kal" van Susteren werd ook door zo'n clubje hobbyisten gemaakt. Met steun van o.m. een aannemer en een plaatselijk stucadoorsbedrijf.
Wij leven dus in een provincie waar het bouwbedrijf en de plaatselijke middenstand meer oog hebben voor de cultuur dan de dames en heren van de provincie.
 
Een ander voorbeeld: in 1986 verscheen in Kerkrade het boekje "Wöad en Zagenswies op de Hollendsje koel" van Jo Bischoff. Een bescheiden werkje, door de auteur zelf op een schrijfmachine getikt en waarin deze hobbyist wellicht nog zelf de nietjes heeft moeten slaan. Maar Bischoff heeft tenminste een inspanning gedaan om de taal van de mijnwerkers op te tekenen.
Pas toen de subsidiepotten van de provincie gespijsd waren vonden de geleerde heren van het WLD (Woordenboek der Limburgse Dialecten) de taal van 'koempel Joep' ineens ook interessant genoeg om een aflevering aan de mijnwerkerstaal te wijden.
 
Kijk, dat is nu het verschil tussen professionals en hobbyisten: de een wordt betaald en de ander niet.
Namens al de hobbyisten, die nog nooit een cent van de provincie ontvangen hebben, schaam ik mij diep in deze cultuurbarbaarse Limburgse provincie te wonen.
Voor de meerderheid in de provincieraad is dialect inderdaad een hobby. Dat vind ik prima, want al die hobbyisten hebben gelukkig de reflex en het fatsoen gehad een stuk Limburgse volkscultuur te redden.
Maar laat die provincie dan a.u.b ook de zedelijkheid opbrengen er geen dure hobby voor de belastingbetaler van te maken...
 
Paul Prikken