Vergadering van de Adviesgroep 'Raod veur 't Limburgs'.
 
Gouvernement Maastricht, vrijdag 24 11 2000, 12.30
 
Aanwezig:
prof R. van Hout, Katholieke Universiteit Nijmegen
prof. L. Draye, Katholieke Universiteit Leuven
mevr. E. Proesmans, provincie Belgisch Limburg
M. Snijders, Provincie Nederlands Limburg
P. Coenen, Provincie Nederlands Limburg
P. Prikken, Werkgroep AGL
W. Kuipers, Werkgroep AGL
 
Toelichting en standpunt van de werkgroep AGL, i.v.m.
- de instelling van een "Raad voor het Limburgs"
- de aanstelling van "een streektaalfunctionaris"
 
Beste vergadering,
Wij hebben een en ander punt voor punt geformuleerd zoals in uw uitnodigingsbrief aangegeven:
 
1. procedure voor de keuze van een streektaalfunctionaris
 
Kritiek:
Hoewel de vereniging Veldeke in haar uitgave nummer 4 jaargang 75 jaar 2000 beweert dat zij de streektaalfunctionaris mag aanstellen en ook reeds een advertentie geplaatst heeft met daarin een geconfectioneerd profiel dat aangepast lijkt op de vermogens van haar beoogde kandidaat, lijkt deze werkwijze ons niet de beste.
 
Ons voorstel:

- openbare personeelsadvertentie

- duidelijke omschrijving van de eisen en verwachtingen

- creëer EERST een kader waarin deze functionaris kan functioneren. Je kunt niet verwachten dat zij/hij zonder wegbereiding in een compleet vacuüm het pionierswerk gaat doen. Wij praten hier immers over één persoon. Bij een normale job heeft de organisatie of bedrijf reeds een structuur waarin het nieuwe personeelslid kan werken.

Toelichting:
Wij vinden dat deze baan moet gaan naar een jonge academica of academicus. Veldeke schijnt het te beschouwen als een verdienstelijke 'uitloopbaan' voor een toegenegen medestander.
Als we eindelijk eens af willen van het imago van 'oude venten die woordjes opschrijven' dan moeten we ook de plaats ruimen voor jong talent.
 
 
2. de functiebeschrijving van de streektaalfunctionaris
 
Kritiek:
Er circuleert hier op de provincie een document waarin staat dat de streektaalfunctionaris o.m. belast zal worden met de samenstelling van een algemeen (streektaal)woordenboek.
Een groot deel van dat werk heeft de Werkgroep AGL al gedaan, en het is tijdverlies en verspilling van belastinggeld om een initiatief over te doen dat reeds door een privé-initiatief ingevuld is. (mag trouwens niet)
Overigens betwijfelen we of één streektaalfunctionaris -met al het werk dat er nog ligt- wel aan een dergelijke opdracht zal toekomen.
 
 
Ons voorstel:

- de streektaalfunctionaris zal in de eerste plaats de communicatie moeten doen (met moderne middelen, daarom bij voorkeur een jonger iemand)

- de streektaalfunctionaris zal zich niet of nauwelijks moeten bemoeien met al die honderden (zo wordt beweerd) verschillende dialecten binnen het Limburgs, maar uitsluitend met het Limburgs als taal, als erkende (streek)taal. Dat betekent werk genoeg. Zie eventueel wat Siemon Reker doet voor het Gronings.

- de streektaalfunctionaris moet bijvoorbeeld gaan werken aan een algemene grammatica van het Limburgs, en daarnaast ook lesmateriaal ontwikkelen voor het (voortgezet) onderwijs. Daarom zien we graag een jonger iemand, die verstand heeft van PR en contacten met de media. (die hebben thans géén aanspreekpunt als het over het Limburgs gaat)

- de streektaalfunctionaris moet vertrouwd zijn met computertechnieken, database-technieken en internet (onderhoud en actualisering website).

In de werkgroep AGL is er knowhow en ervaring op dit gebied. Wij kunnen een structuur maken waarin de streektaalfunctionaris zich happy voelt en productief kan werken.

Wij bieden haar/hem graag de mogelijkheid om in te stappen op onze website. Er moet gepubliceerd en gediscussieerd worden. Een streektaalfunctionaris dient niet in zijn eentje te (moeten) werken.

- laten we ook niet vergeten dat er een werkgever/werknemer-relatie ontstaat. Als de Raad de streektaalfunctionaris gaat (aan)sturen moet de Raad ook zijn verantwoordelijkheden nemen.

Toelichting:
Wij denken dat de streektaalfunctionaris binnen zijn dagelijkse werkzaamheden helemaal niet meer aan 'taalonderzoek' toekomt. Er ligt daar trouwens een braakliggend terrein (idioom, morfologie, etymologie...) waar tientallen mensen nog voor vele jaren werk aan hebben. De overheid moet daar geld voor vrij maken. Dat baantje van streektaalfunctionaris is eigenlijk één korrel graan die in een ren vol hongerige kippen wordt gestrooid. Laten we daarom over deze aalmoes geen drukte maken. Er is werk zat!
 
3. de samenstelling en werkwijze van de "Raod veur 't Limburgs".
 
Kritiek:
Liever de Nederlandse benaming "Raad voor het Limburgs" gebruiken. Het zal voor de Raad toch al lastig genoeg worden om in de rest van Nederland niet als Limburgs rariteitenkabinet afgedaan te worden.
 
Ons voorstel (tweeledig):

a.wat betreft de samenstelling

Daar moeten we eerst weten wat die raad gaat doen.

Houdt hij zich uitsluitend bezig met de Limburgse taal? (onze voorkeur)

- dan moeten er in de raad alleen maar mensen komen die iets met die taal (of de taal in het algemeen) vandoen hebben. Naast de theoretici (linguïsten, lexicologen) moet daar ook plaats zijn voor schrijvers die in het Limburgs publiceren. Bij de praktische of creatieve toepassing van deze (beperkte) spreektaal, komt men pas de problemen tegen.

Heeft men hier een breder (sociocultureel) terrein op het oog? (dat vinden wij niet goed)

- dan moet je zo'n raad natuurlijk samenstellen uit alle geledingen van het Limburgs cultureel leven. Wij vrezen dat zo'n formule niet werkt. De interesse en de meningen zijn dan te verdeeld. De arme streektaalfunctionaris dreigt dan door die raad voor onoverkomelijke opdrachten gesteld te worden.

b.wat betreft de werkwijze

Een vlakke organisatie met een onafhankelijke voorzitter.

Niemand zit in de vergadering voor zijn vereniging, club of organisatie. (daar wordt door de voorzitter streng de hand aan gehouden).

Deze Raad voor het Limburgs moet in wezen oppositie voeren tegen de politiek en afdwingen dat de provincie ook hier -zoals in andere provincies- substantiële budgetten beschikbaar stelt voor de Limburgse taal.

Toelichting:
De eerste opdracht van de raad moet zijn: het budget van de (provinciale) overheid voor het Limburgs substantieel (zeg maar, drastisch, spectaculair) verhogen.
Dan is dat gekissebis tussen concurrerende belangengroepen ook van de baan. Want eigenlijk veroorzaakt de overheid zelf deze indianendans rond de subsidiepotten.
De Raad moet er niet zijn om met karige middelen iedereen tevreden te stellen. Dat lukt toch nooit, en dan krijgt de Raad een politieke verantwoordelijkheid die de zijne niet is.
 
Conclusie:
Met de initiatieven van de Raad voor het Limburgs (en de streektaalfunctionaris) moet een immense kloof gedicht worden.
Aan de ene kant bestaan er wel de studies over de Limburgse dialecten aan de faculteiten taalwetenschap van de universiteiten. Maar aan de andere kant van dit specialisme, met daartussen een leegte zo groot als de afstand tussen Nijmegen en Maastricht, is er louter het sfeertje van Limburgse folklore en dialectgezelligheid. Die leemte moet dus opgevuld worden met alle schakeringen waaraan een echte (streek)taal behoefte heeft.
 
Het Limburgs is de beste bestudeerde streektaal van Nederland. Er zijn naar schatting zeker dertig proefschriften aan gewijd (vergelijk dat met het Gronings of Drents), honderden wetenschappelijke artikelen, maar dat weet vrijwel niemand. De gemiddelde journalist van landelijke kranten denkt dat het Limburgs -op zijn gunstigst- een grappige variant is van het Nederlands.
Dat is -laten we zeggen- de ene klant van de kloof.
 
Aan de andere kant staan een miljoen Limburgs sprekenden, de een minder, velen authentiek en enthousiast, die geen weet hebben van de bijzonderheden van hun taal, dat het een echte taal is, met een aparte grammatica en ga zo maar door.
 
Die kloof moet gedicht worden. De Limburgers die van hun taal houden, woorden koesteren, die moeten materiaal krijgen (lesboeken, cursussen, goed leesbare literatuur) om meer van hun taal te weten te komen en te genieten.
De wetenschappelijke publicaties namelijk zijn niet of nauwelijks toegankelijk. Niet alleen door de terminologie, maar ze zijn ook letterlijk onbereikbaar. Je moet er al voor naar Nijmegen of Leuven - de UM heeft vrijwel niets.
 
De Raad is er dus niet om specialistische opdrachten aan universiteiten te verstrekken, net zo min als de Raad er is om het rijke Limburgse verenigingsleven van Limburgse taalfolklore te voorzien.
 
De Raad moet werken als een zelfstandige, onafhankelijke, verantwoordelijke en koppige organisatie van deskundigen, die het Limburgs verder willen brengen dan waar het nu staat. En dat is een hele lange weg...
 
Namens de Werkgroep AGL
Paul Prikken
Voorzitter
Wim Kuipers
initiatiefnemer van het AGL