Europees Taalbeleid

Een onderzoek naar de totstandkoming, de inhoud en de implementatie van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden

Elise Roders

Doctoraalscriptie Taalwetenschap

Afstudeerrichting Interculturele Communicatie: NT2
Faculteit der Letteren, Katholieke Universiteit Brabant
Begeleider: Dr. S. Kroon
Tilburg, november 2000
 

Hoofdstuk 6

Erkenning van het Limburgs onder het Handvest

6.0 Inleiding

Op 19 maart 1997 heeft Nederland middels een aanvullende verklaring het Limburgs aangemeld voor het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (zie bijlage VI). Dit was een direct gevolg van een verzoek daartoe van de Provincie Limburg. In dit hoofdstuk komen de aanleiding tot en, meer in het bijzonder, de gevolgen van dit besluit aan bod. Hierbij wordt gekeken naar wie het initiatief tot het voorstel heeft genomen, wie betrokken zijn geweest bij de besluitvorming, op welke gronden besluiten zijn genomen en hoe op die besluiten is gereageerd.

6.1 Initiatief, advies en aanmelding

Op 1 maart 1996 werd het "Advies inzake de erkenning van het Limburgs als streektaal" vastgesteld door de Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal. Deze werkgroep was ingesteld op verzoek van de Vereniging Veldeke Limburg, een vereniging die zich richt op de Limburgse dialecten en volkscultuur. Veldeke was tot dit verzoek aangezet door de Provincie Limburg. De onderbrenging van het Nedersaksisch bij het Handvest had de vraag opgeworpen of het Limburgs niet voldeed aan dezelfde criteria als die waarop aanmelding van het Nedersaksisch was gebaseerd.

De Werkgroep bestond uit wetenschappers en andere deskundigen. Zij hebben hun advies gebaseerd op hun eigen bevindingen en die van externe experts. In het advies worden twee vragen beantwoord:

1. In hoeverre zijn de termen van het Handvest van toepassing op het Limburgs?

2. In hoeverre is erkenning van het Limburgs als streektaal onder de termen van het Handvest wenselijk?

De Werkgroep definieert het 'Limburgs' pragmatisch als de streektaal die, in diverse varianten, wordt gesproken in de Nederlandse provincie Limburg (Werkgroep Erkenning Limburgs als Streektaal, 1996, p.2). Hieronder wordt niet verstaan het Limburgse accent bij het uitspreken van het Algemeen Nederlands (AN).

Het Limburgs heeft ongeveer 750.000 sprekers. De Werkgroep stelt verder dat de taalwetenschap geen "categorisch taxonomisch" verschil erkent tussen talen en dialecten en dat erkenning als streektaal dus niet moet worden gezien als opwaardering van het Limburgs van dialect naar taal.

Erkenning moet worden gezien als een publiekrechtelijke aanvaarding van bestaande cultuurvariatie en niet als een ingrijpen in wetenschappelijke terminologie of in de talige praktijk (a.w., p.3). Het is ook niet de bedoeling van de werkgroep om de ontwikkeling van een 'Standaard-Limburgs' of 'Algemeen Beschaafd Limburgs' te stimuleren. Het gaat juist om de erkenning van verscheidenheid en de voornaamste overeenkomst tussen de Limburgse dialecten als hun positie ten opzichte van het Algemeen Nederlands (a.w., p.4).

De Werkgroep heeft op basis van de termen uit het Handvest en bestuurlijke toepassing ervan op het Fries en Nedersaksisch criteria vastgesteld waaraan het Limburgs moet voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen (a.w., p.5). Dit zijn:

Specificiteit De streektaal mag geen dialect van het Nederlands zijn. De taal moet duidelijk van het Nederlands verschillen en bij de historische ontwikkeling van het AN een "afzijdige" positie hebben ingenomen.

Presentie: De streektaal moet in de regio een breed draagvlak hebben, prominent aanwezig zijn in meerdere aspecten van het openbaar leven en het medium zijn van regionale cultuuruitingen. Bovendien dient de taal niet alleen een voldoende aantal sprekers te hebben, maar ook een zekere mate van codificatie in de vorm van woordenboeken of grammatica's.

Het criterium van presentie gaat duidelijk verder dan de eisen van het Handvest. Daarin wordt immers alleen geëist dat de taal van oudsher in een bepaald gebied wordt gebruikt en geen dialect van de officiële taal of migrantentaal is. Aan het daadwerkelijk gebruik van de regionale taal worden geen eisen gesteld.

Op basis van attesten van drie externe experts (Dr. J. Berns, Prof. Dr. L. Kremer en Prof. Dr. A. Weijnen) stelt de Werkgroep dat het Limburgs aan bovenstaande criteria voldoet in minstens even sterke mate als het Nedersaksisch. Het Limburgs komt volgens de Werkgroep dus in aanmerking voor aanmelding bij het Handvest.

De Werkgroep brengt vervolgens enkele punten onder de aandacht die het gevolg zouden kunnen zijn van aanmelding van het Limburgs. Op de eerste plaats waarschuwt de Werkgroep voor een "verwarde openbare discussie", door onduidelijkheid over de termen 'taal', 'streektaal' en 'dialect'. De Werkgroep stelt dat deze woorden verschillen van betekenis als ze worden gebruikt in een publiekrechtelijke, taalwetenschappelijke, of informeelalledaagse context (a.w., p.7).

Erkenning van het Limburgs zou geschieden in een publiekrechtelijke sfeer en de Werkgroep pleit voor een strikt technisch gebruik van de term 'dialect' (a.w., p.7).

Een tweede opmerking van de Werkgroep is gericht op de taalwetenschappelijke praktijk. Die zou niet moeten worden beïnvloed door de erkenning van regionale talen bij het Handvest. Andere taalvariëteiten zouden niet minder belangstelling moeten krijgen omdat ze niet erkend zijn (a.w., p.7). Vervolgens gaat de Werkgroep in op de geografische situatie van het Limburgs. Hierover zegt ze dat de positie van het Limburgs in Nederland niet zonder meer gevolgen heeft voor het Rijnlands in Duitsland of het Limburgs in België. Het is de Werkgroep niet duidelijk in welke mate de erkenning van het Limburgs een precedent buiten de eigen provincie kan worden (a.w., p.7). Tot slot maakt de Werkgroep duidelijk dat erkenning van het Limburgs niet moet worden gezien als "anti-Hollandse particularisme", maar dat erkenning subsidiair is onder het Nederlands (a.w., p-8).

Naast eventuele negatieve neveneffecten, belicht de Werkgroep ook de positieve kanten van erkenning van het Limburgs als regionale taal. Zo zal erkenning mogelijk leiden tot ontstigmatisering van het Limburgs, maar ook van het Limburgs accent bij de uitspraak van het Algemeen Nederlands. Op landelijk niveau heeft het gebruik van het Limburgs of het hebben van een Limburgs accent vaak letterlijk een negatieve bijklank, wat Limburgstaligen afschrikt om hun eigen taal te gebruiken of hun kinderen in het Limburgs op te voeden. Erkenning van het Limburgs zou kunnen leiden tot het inzicht dat er sprake is van een ander taalsysteem. Een accent zou dan niet meer kunnen worden gezien als een afwijking van het Nederlands, maar als interferentie vanuit het Limburgse taalsysteem (a.w., p.8).

Erkenning van het Limburgs zou volgens de Werkgroep tevens de positie van de taal in de diglossie-situatie kunnen versterken en de regionale taalvariatie in Nederland zou beter gewaarborgd zijn, wat ook een landelijk belang is (a.w., p. 8).

Op basis van haar bevindingen en overwegingen is de Werkgroep tot de conclusie gekomen dat aanmelding van het Limburgs bij het Handvest zowel mogelijk als wenselijk is. Het niet erkennen van het Limburgs zou een "bevreemdende (en voor Limburgers mogelijk aanstootgevende) anomalie vormen" (a.w., p.9). De Werkgroep beveelt hierbij aan om over te gaan tot erkenning onder Deel II, omdat dat in overeenstemming is met de positie van het Nedersaksisch en omdat het beleid in haar ogen beter niet te ingrijpend kan zijn. Hierbij wordt wel opgemerkt dat erkenning onder Deel III altijd mogelijk blijft.

Tijdens de vergadering van de Provinciale Staten van Limburg op 20 september 1996 werden de Gedeputeerde Staten gemachtigd om een officieel verzoek in te dienen om erkenning van het Limburgs onder Deel II van het Handvest. Dit verzoek is zonder verdere, inhoudelijke toetsing gehonoreerd.

6.2 Reacties op de erkenning van het Limburgs

Het Limburgs is zonder veel ophef door de Nederlandse regering als regionale taal aangemeld bij het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden.

Het is echter gebleken dat een grondiger behandeling door het parlement van het verzoek van de Provincie Limburg wenselijk zou zijn geweest. Niet iedereen blijkt het immers eens te zijn met de stelling dat het Limburgs geen dialect is maar een taal. Zo bleek de Nederlandse Taalunie niet gelukkig met het besluit om het Limburgs aan te melden bij het Handvest. De Taalunie is een orgaan dat in 1980 door België en Nederland is opgericht. Zij heeft tot doel "de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin" (Nederlandse Taalunie, 1988, p.6, art.2.1). Een van de zaken die in het verdrag tot oprichting van de Nederlandse Taalunie zijn geregeld, is "het plegen van overleg, wanneer in hun betrekkingen tot derde landen of tot internationale instellingen of bijeenkomsten de belangen van de Nederlandse taal of de doelstellingen van dit Verdrag in het geding zijn" (Nederlandse Taalunie, 1988, p.10, art. 4g). De Nederlandse regering heeft bij de snelle afhandeling van het verzoek van de Provincie Limburg geen advies ingewonnen van de Taalunie. Er als dus ook geen overleg geweest tussen België en Nederland over dit onderwerp. Dit had volgens de algemeen secretaris van de Taalunie, K. Jaspaert, wel moeten gebeuren. Hij stelt dat het Limburgs in elk geval altijd impliciet als Nederlands beschouwd als. Dat blijkt uit de afwezigheid van aparte taalwetten op dat gebied. Het argument dat het Limburgs niets met het Nederlands te maken heeft en dus geen onderwerp is om door de Taalunie te worden behandeld, gaat daardoor niet op. Met de erkenning van het Limburgs is wel degelijk een beslissing genomen over het Nederlands en dan hoort de Taalunie geraadpleegd te worden. Hetzelfde geldt in dit verband voor het Nedersaksisch (interview Taalunie, 25-9-2000). Bij de beantwoording van kamervragen over het Limburgs (d.d. 22-2-2000 en 24-2-2000, bijlagen IX en X) heeft de Nederlandse regering overigens toegegeven, dat het verstandiger was geweest om het verzoek van de provincie Limburg wel ter toetsing voor te leggen aan de Taalunie. In het Comité van Ministers van de Taalunie is dan ook afgesproken om toekomstige verzoeken wel voor te leggen aan de Taalunie (Kamervragen 1, 1999/2000, 6; Kamervragen 11, 1999/2000, 1053, bijlagen IX en X).

België heeft het Handvest nog niet ondertekend, maar de Vlaamse Gemeenschap heeft de Taalunie medio 1999 wel gevraagd om een advies inzake de mogelijke aanmelding van het Limburgs in België. De Taalunie brengt in haar antwoord aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een negatief advies uit over de erkenning van het Limburgs als regionale taal in België (d.d. 5-7-1999, bijlage XI). Dit advies is gebaseerd op het feit dat het Limburgs in alle wetenschappelijke literatuur (diachroon en synchroon) als dialect wordt beschouwd en niet als zelfstandige taal. De Taalunie stelt dat het redelijk is om aan te nemen, dat niet alleen de taalkunde, maar ook officiële instanties en sprekers van het Limburgs het Limburgs als een dialect beschouwen. De erkenning van het Limburgs door de Nederlandse regering wordt door de Taalunie dan ook bestempeld als een "ongelukkige keuze", waardoor een onbalans ontstaat aan weerszijden van de grens tussen België en Nederland.

In het advies van de Taalunie aan de Vlaamse Gemeenschap wordt tevens gewezen op het feit, "dat erkenning van de Limburgse en andere dialecten van Het Nederlands als afzonderlijke streektaal in het Charter gevolgen kan hebben voor de status en het gebruik van het Nederlands, aangezien sprekers van erkende streektalen niet beschouwd kunnen worden als moedertaalsprekers van het Nederlands" (brief NTU, d.d. 5-7-1999, bijlage XI). Die passage is in verschillende artikelen in de pers fel bekritiseerd. De vrees voor een lager aantal sprekers van het Nederlands zou ten grondslag liggen aan het negatieve advies (o.a. Belemans en Reker in De Standaard, 25-2-2000, Dohmen in NRC-Handelsblad 12-2-2000, bijlage XII). Jaspaert reageert enigszins verbaasd op uitlatingen van die strekking. Hij stelt dat de opmerking uit de context als gehaald. Het advies is aan de Vlaamse Gemeenschap gericht en doelt in eerste instantie dan ook op de situatie in België. Daar zou erkenning van het Limburgs als taal niet alleen een wijziging van de grondwet tot gevolg hebben, maar ook het delicate evenwicht in de Voerstreek verstoren en het is de taak van de Taalunie om op die mogelijke gevolgen te wijzen (interview Taalunie, 25-9-2000).

Jaspaert benadrukt dat het zeker niet zijn bedoeling is om dialecten te depreciëren, maar vindt wel dat de aanmelding van zowel het Nedersaksisch als het Limburgs een oneigenlijk gebruik van het Handvest inhoudt. De twee belangrijkste bezwaren tegen de aanmelding van taalvariëteiten als het Nedersaksisch en het Limburgs zijn volgens hem de volgende:

1 . Aanmelding van bijvoorbeeld het Nedersaksisch en het Limburgs holt het Handvest uit. Met elk discussiepunt dat erbij komt, wordt het Handvest iets minder bruikbaar om zijn eigenlijke bedoeling te realiseren. Een land kan huiverig worden om een regionale taal te erkennen als dat betekent dat vele andere variëteiten dan ook aan de beurt willen komen. Zo kan een land zijn talige eenheid verliezen.

2. Aanmelding van bijvoorbeeld het Nedersaksisch en het Limburgs houdt een verarming van het Nederlands in. Het Nederlands wordt op die manier gereduceerd tot één taalvariëteit, namelijk de Standaardtaal, terwijl de Taalunie juist staat voor een Nederlandse taal met verschillende maten en gewichten(interview Taalunie, 25-9-2000).

Vooral het tweede argument weegt zwaar voor Jaspaert. "Het soort Nederlands waar ik voor sta, als het Nederlands dat in verschillende maten en gewichten naar voren komt, dat verschillende variëteiten kent en afhankelijk van de situatie waarin je verkeert, gebruik je de ene variëteit dan wel de andere. (...) Iedereen heeft verschillende variëteiten tot zijn beschikking en dat vind ik geen probleem.  Integendeel, dat vind ik een grote rijkdom" (Interview Taalunie, 25-9-2000). Er zijn nu eenmaal geen objectieve, taalkundige criteria op basis waarvan taalvariëteiten als taal of dialect kunnen worden aangemerkt. Op grond daarvan zou in principe voor alle dialecten erkenning als taal kunnen worden geëist.

In februari 2000 zijn kamervragen gesteld over de erkenning van het Limburgs. Kamerleden Bierman (Eerste Kamer, OSF) en Hoekema (Tweede Kamer, D66) stelden hun vragen aan resp. staatssecretaris Van der Ploeg (OCW) en staatssecretaris De Vries (Binnenlandse Zaken) naar aanleiding van berichten uit NRC Handelsblad. Daarin werd bericht over het negatieve advies betreffende het Limburgs van de Taalunie aan de Vlaamse Gemeenschap.

Senator Bierman concludeerde uit het artikel dat het Limburgs in Nederland wellicht afgemeld zou worden bij het Handvest, maar uit de antwoorden van zowel de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken als de Staatssecretaris van OCW blijkt dat daarvan geen sprake als, al erkent de regering dat de Taalunie geraadpleegd had moeten worden, zoals eerder ook al is vermeld (Kamervragen 1, 1999/2000, 6, bijlage IX). Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden voorziet overigens niet in een mogelijkheid om de aanmelding van een afzonderlijke taal ongedaan te maken. Het is slechts mogelijk om de ondertekening en de gehele ratificatie terug te trekken (art. 22 van het Handvest). Het ziet er dus naar uit dat zowel het Nedersaksisch als het Limburgs gewoon aangemeld blijven onder deel II van het Handvest, maar in de toekomst worden verzoeken tot (uitbreiding van) ratificatie zorgvuldiger getoetst en voorgelegd aan de Taalunie.

6.3 Algemeen Geschreven Limburgs

Terwijl op nationaal niveau wordt gediscussieerd over het al dan niet juist zijn van de beslissing om het Limburgs in Nederland aan te melden bij het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, is in Limburg zelf de invulling van het taalbeleid punt van discussie. De Partij Nieuw Limburg (PNL) heeft het initiatief genomen om een gestandaardiseerde schrijftaal vast te stellen: het Algemeen Geschreven Limburgs (AGL). Deze vorm van corpusplanning kan worden gezien als een middel om de status en prestige van het Limburgs te vergroten. De eerste oproep tot het ontwikkelen van zo'n schrijftaal dateert van 1947. In 1989 herhaalde journalist Wim Kuipers deze oproep en de plannen die hij vervolgens met Paul Prikken opstelde, liggen aan de basis van het initiatief-voorstel van de PNL. De PNL ziet in de invoering van het AGL een middel om de Limburgse taal te behouden. In haar voorstel stelt zij dat door onder andere globalisering en verhoogde mobiliteit de verschillende tongvallen die het Limburgs nu nog kent, zullen vervagen en uiteindelijk kunnen verdwijnen. Daarbij zijn volgens de PNL twee scenario's mogelijk (PNL, 2000, p.22):

1 . "Er als wel een Algemeen Geschreven Limburgs, waarnaar men zich kan richten: in dat geval zal er een Algemeen Gesproken Limburgs kunnen ontstaan naar het voorbeeld van het Algemeen Geschreven Limburgs, waardoor de Limburgse taal blijft voortbestaan."

2. "Er als géén Algemeen Geschreven Limburgs, waardoor men geen referentiepunt heeft; dan zal een Algemeen Gesproken Limburgs niet ontstaan, maar zal men zich naar een andere taal richten. In dat geval verdwijnt de Limburgse taal."

Hoewel de PNL in het plan benadrukt dat het haar slechts te doen is om het geschreven Limburgs (PNL, 2000, p. 1 9), blijkt uit deze scenario's dat op lange termijn wel degelijk gedacht moet worden aan een gestandaardiseerde versie van het gesproken Limburgs om te voorkomen dat het Limburgs volledig verdwijnt in een proces van globalisering.

Het voorstel om het AGL in te voeren maakt deel uit van een groter plan, dat bestaat uit maatregelen ter bescherming van het Limburgs. De punten uit dit plan zijn:

1. Het aanstellen van een streektaalfunctionaris.

2. Het openen van een 'Limburghuis' en de instelling van de 'Raod veur et Limburgs'.

3. Het vaststellen van de standaardtaal Limburgs met een bijbehorend woordenboek

4. Het beschikbaar stellen van een krediet om de voorgestelde maatregelen te realiseren.

Het initiatief-voorstel is op 30 juni 2000 voor het eerst behandeld in de Provinciale Staten. In die vergadering is besloten om verdere behandeling te verdagen tot 8 september 2000 en intussen advies in te winnen bij de K.U. Nijmegen, de K.U. Leuven, de Vereniging Veldeke Limburg en de Belgische provincie Limburg.

Het voorstel van de PNL en dan met name het voorstel tot invoering van het AGL heeft veel weerstand ondervonden. De Vereniging Veldeke Limburg stuurde op 26 juni een brief aan Provinciale Staten met daarin haar standpunt en grote kritiek op het plan. Zij geeft kritiek op punten van algemene aard (taalkundig-dialectologisch, maatschappelijk en politiek) en gaat tevens in op specifieke onjuistheden in het voorstel van de PNL.

Ook in de pers deed het onderwerp veel stof opwaaien en ontstond een pennenstrijd tussen voor- en tegenstanders van het AGL. In het dagblad De Limburger (De Mening d.d. 3-6-2000, zie bijlage XII) konden lezers hun mening over het onderwerp geven en daaruit bleek dat de animo onder de bevolking voor het plan niet bijzonder groot was. De reacties varieerden van ondersteuning en onderschrijving van de plannen tot "totaal onzin, één taal voor heel Europa is makkelijker" en "behoud en promotie is goed, maar een officiële schrijftaal is daarvoor niet de oplossing".

De adviezen die door de Provincie zijn ingewonnen, zijn alle negatief. Prof. Dr. R. van Hout, hoogleraar Dialectkunde en Sociolinguïstiek aan de K.U. Nijmegen, heeft begrip voor de wens om tot standaardisatie te komen, maar hoopt op een degelijk onderzoek, omdat het voorstel van de PNL in zijn ogen "ondoorzichtig, onzorgvuldig, incompleet en onjuist" is (brief, 29-8-2000). De Provincie Limburg in België, bij monde van Gedeputeerde van cultuur S. Sleypen, vindt het standpunt van de PNL te radicaal en zet bovendien vraagtekens bij de samenwerking tussen de provinciale administratie en een politieke partij (brief, 28-8-2000). Vanuit de K.U. Leuven is door Rob Belemans eveneens kritiek geuit op het voorstel tot invoering van het AGL. Er is onvoldoende draagvlak voor, concrete voorstellen ontbreken en het AGL zou voor veel Limburgers te ver van hun eigen dialect staan (brief, 30-8-2000). Ook Veldeke blijft bij haar eerdere standpunt en keurt het PNL-voorstel af. Veldeke stelt onder meer dat standaardisatie van een taal alleen uit de praktijk zelf kan ontstaan en dat PNL met haar top-down benadering de omgekeerde weg bewandelt (brief, 29-8-2000).

Vrijwel alle tegenstanders van invoering van het AGL benadrukken overigens dat hun afkeuring van het AGL niet betekent dat zij niet voor maatregelen zijn om het Limburgs te ondersteunen.

Het is gebleken dat er voor het plan om het AGL in te voeren te weinig steun was van andere fracties in de Provinciale Staten. Het voorstel is daarop aangepast en de invoering van het AGL maakte niet langer deel uit van het voorstel dat in gewijzigde vorm op 8 september 2000 als aangenomen.

6.4 Beschouwing van het beleidsproces met betrekking tot het Limburgs

De omstandigheden waaronder het Limburgs is aangemeld bij het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en de situatie die daarvan het gevolg is, tonen aan dat ook in dit geval verschillende arenastrategieën zijn toegepast. Het eerste opvallende element in het geheel is de snelle, geruisloze aanmelding van het Limburgs. Niet alleen is er geen inhoudelijke toetsing van het verzoek van de provincie Limburg geweest door de regering, ook een parlementaire discussie ontbreekt volledig. Doordat dit specifieke voorstel niet in het Parlement behandeld is, heeft een aantal actoren niet de kans gekregen om invloed uit te oefenen op de besluitvorming. De participatie van actoren is, bewust of onbewust, tot een minimum beperkt gebleven. Gezien de behandeling van het Nedersaksisch eerder, zou het voorstel bij behandeling in de Eerste en Tweede Kamer waarschijnlijk op weinig protesten zijn gestuit, maar vanuit democratisch oogpunt was een politieke discussie toch wenselijk geweest.

Bij de aanmelding van het Limburgs heeft de aanmelding van het Nedersaksisch duidelijk als precedent gegolden. Voor de province Limburg is dat een gunstig gegeven geweest, maar de regering heeft zich met de aanmelding van het Nedersaksisch al in een lastige positie gebracht. Dit geldt vooral nu erkend is dat de Taalunie geraadpleegd had moeten worden en afgesproken is dat dit bij toekomstige verzoeken, zoals dat van de provincie Zeeland, wel zal gebeuren.

De grootste onrust als ontstaan op het moment dat bekend werd dat de Belgische regering wel advies over het Limburgs had gevraagd aan de Taalunie en dit advies negatief bleek te zijn. De discussie die daarop volgde in de pers was en is nog steeds fel. Een uitspraak van Prof. Dr. A. Weijnen, emeritus hoogleraar en een autoriteit op het gebied van dialecten en streektalen, in NRC-Handelsblad van 12-2-2000 (bijlage XII) als in dezen bijzonder illustratief: "Ze (de Taalunie) hebben geen enkel taalkundig argument. Het Limburgs vormt een hechte eenheid met de Rijnlandse dialecten. Ik denk dat in Vlaanderen de vrees leeft dat de Walen de kwestie kunnen uitbuiten. Als Belgisch-Limburgs het predikaat Rijnlands dialect krijgt, krimpt het Nederlands taalgebied en verschuift het delicate taalpolitieke evenwicht in België."

Weijnen vat met deze uitspraak onder meer zijn advies aan de werkgroep, die het advies over het Limburgs heeft opgesteld, samen. Het klopt dat er geen taalkundige argumenten zijn die aangevoerd kunnen worden om te stellen dat het Limburgs een dialect als. Hetzelfde geldt echter voor het omgekeerde; er kan op taalkundige gronden niet worden gesteld dat het Limburgs een zelfstandige taal als. Ook het advies van

Weijnen gaat niet veel verder dan te stellen dat het Limburgs zich over de landsgrenzen uitstrekt. Bovendien blijft hij het Limburgs een dialect noemen, maar dan van het Rijnlands in plaats van het Nederlands.

Er resten dus slechts taalpolitieke argumenten om te bepalen of het Limburgs wel of geen regionale taal als. Daardoor als het nu eenmaal niet makkelijk om een objectief oordeel te vellen. Het advies van de Werkgroep aangaande het Limburgs steunt vooral op het criterium van presentie van het Limburgs. Hoewel het Limburgs hierop hoog scoort, weegt dat criterium niet zwaar voor erkenning onder het Handvest. Het feit dat er nooit eerder discussie is gevoerd over de status van het Limburgs als taal, spreekt wat dat betreft niet in het voordeel van het Limburgs. Pas op het moment dat het van (financieel/politiek) belang werd om niet als dialect maar als taal erkend te worden, is de discussie aangezwengeld. Hetzelfde geldt voor het Nedersaksisch. De flexibele opzet van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, gecombineerd met de aanvankelijk flexibele opstelling van de Nederlandse regering, heeft het Nedersaksisch en het Limburgs de mogelijkheid geboden om als taal erkend te worden. Het is nog niet duidelijk of het Zeeuws, waarvoor een verzoek tot erkenning in voorbereiding is, ook zal worden aangemeld, nu is besloten om verzoeken tot aanmelding bij het Handvest grondiger te toetsen. Provinciale Staten in Limburg is bij de behandeling van het voorstel tot ontwikkeling van het AGL op een andere manier te werk gegaan dan de nationale overheid bij de erkenning van het Limburgs. Besluitvorming is in eerste instantie uitgesteld, zodat verschillende instanties om advies kon worden gevraagd. Dit uitstel is in termen van arenastrategieën te kenmerken als de beïnvloeding van de factor tijd. Mede op basis van de ingewonnen adviezen is besloten om het voorstel te verwerpen. In de pers zijn tevens voor- en tegenstanders van het voorstel aan het woord geweest. ~Hun meningen zijn zeer waarschijnlijk ook van invloed geweest op het besluitvormingsproces binnen de provincie. Door meer of minder personen of instanties te betrekken bij de besluitvorming, is de participatie beïnvloed. In dit geval hebben de meningen van de personen en instanties die om advies zijn gevraagd de doorslag gegeven voor Provinciale Staten om het aanvankelijke PNL-voorstel te verwerpen en slechts met een sterk gereduceerde versie ervan akkoord te gaan.

Het laatste woord over het AGL als echter nog niet gezegd en het ligt in de lijn der verwachting dat het onderwerp in de toekomst zal terugkeren op de politieke agenda.

 

Hoofdstuk 7

Slotbeschouwing

7.0 Inleiding

In de vorige hoofdstukken stonden taalbeleid en taalpolitiek in achtereenvolgens Europa, Nederland en Limburg centraal. De talige situatie is in kaart gebracht en beleidsprocessen en beleidsinhoud zijn geanalyseerd. Dit is gedaan om de volgende vraag te beantwoorden:

Wat is de inhoud van het Europees taalbeleid inzake regionale talen en talen van minderheden, zoals bedoeld in het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en hoe is het gesteld met de implementatie van dit Handvest in het Nederlands taalgebied?

In dit hoofdstuk zal op de resultaten worden teruggekeken, door langzaam uit te zoomen van Limburg, via Nederland, naar Europa. Hierbij zullen de resultaten, die een antwoord vormen op de onderzoeksvraag, kritisch worden beschouwd. Een kort nawoord sluit de scriptie af.

7.1 Resultaten

7.1.1 Limburg

De behandeling van de erkenning van het Limburgs als regionale taal onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden is illustratief voor de gevolgen die het Handvest heeft gehad in de praktijk. Erkenning van het Limburgs in Nederland was niet vanzelfsprekend en blijkt ook niet onomstreden te zijn. De argumenten waarop de erkenning is gebaseerd, zijn logisch en begrijpelijk. Het is alleen de vraag of ze ook passen binnen de precieze bedoelingen van het Handvest. In artikelen in de pers viel eerder te lezen dat het Limburgs het verdiende om erkend te worden, dan dat er onweerlegbare wetenschappelijke argumenten werden aangevoerd. Het Handvest is echter zo flexibel, dat het mogelijk als om op basis van de argumenten die zijn aangedragen, erkenning voor een taalvariëteit als het Limburgs te verkrijgen. Het feit dat er door erkenning van het Limburgs in Nederland een verschil is ontstaan tussen Nederland en België op het gebied van taalbeleid, is voor de Nederlandse provincie Limburg in principe niet van belang. De nationale overheden zijn verantwoordelijk voor de erkenning van regionale talen en aan hen is dan ook de taak om, indien nodig, problemen daaromtrent op te lossen.

Hoewel erkenning onder deel II van het Handvest in principe vooral symbolisch is, heeft deze erkenning tot een politieke en, in mindere mate, maatschappelijke discussie geleid. Niet iedereen blijkt het eens te zijn met wijze waarop invulling wordt gegeven aan het feit dat het Limburgs een regionale taal is. Velen zijn blij met de erkenning, maar willen de taalsituatie laten zoals die is. Deze biedt voldoende mogelijkheden voor mensen om zich in hun eigen taalvariëteit uit te drukken en zich in te zetten voor deze taalvariëteit, zoals gebeurt binnen de Vereniging Veldeke.

Anderen zien in de erkenning een mogelijkheid en stimulans om een actievere houding ten opzichte van het Limburgs aan te nemen. Het voorstel tot invoering van het Algemeen Geschreven Limburgs (AGL) is daarvan een voorbeeld. Voorlopig is de invoering van zo'n gestandaardiseerde schrijftaal van de baan. De primaire vraag is echter of het AGL wel binnen de doelstelling van het Handvest past. Hoewel het AGL een middel is om het Limburgs te beschermen, zou het op termijn juist een bedreiging voor de variatie binnen het Limburgs kunnen zijn. Op regionaal niveau zou dan een bepaalde vorm van (op dit moment kunstmatige) standaardisatie ontstaan, terwijl het Handvest is bedoeld om de taaldiversiteit te bewaken. In mijn ogen is het voorstel tot invoering van het AGL dan ook terecht niet aangenomen, zowel vanwege het feit dat er momenteel te weinig draagvlak voor als, als vanwege de dreiging van vervlakking van het Limburgse talenspectrum. Los van de vraag of het Limburgs wel of niet terecht is aangemeld bij het Handvest, kan men zich afvragen of een verandering van beeldvorming rond regionale talen en dialecten niet veel gunstiger effecten zou hebben dan slechts formele erkenning van de taal. Sommige sprekers van het Limburgs hebben zelf geen hoge pet op van hun eigen taal en kiezen er daarom voor om de standaardtaal te gebruiken. Sprekers van de standaardtaal kwalificeren dialecten vaak als boers, waardoor de sprekers ervan op basis van hun taalgebruik of accent negatief beoordeeld worden. Erkenning van een taalvariëteit kan een stap zijn op weg naar verbetering van die situatie, maar die erkenning is doorgaans beperkt tot de regio waarin de variëteit wordt gesproken.

Ik ben ervan overtuigd dat het op lange termijn juist van belang is om op landelijk, of zelfs internationaal niveau maatregelen te nemen om het negatieve beeld dat aan dialecten is gekoppeld te bestrijden en door middel van onderwijs en voorlichting het besef te kweken, dat variatie in talen en taalgebruik juist een teken van culturele rijkdom is. Hiermee neem ik feitelijk wel afstand van het uitgangspunt van het Handvest, dat het om de bescherming van talen, niet van taalgebruikers gaat. Waar het om taal gaat, moet het, met de woorden van de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie niet om "monumentenzorg" gaan (De Vries, 2000, p.502). Het heeft immers weinig zin om een taal te beschermen door er een soort museumstuk van te maken, zolang er geen mensen zijn die zo'n taal daadwerkelijk als instrument kunnen en willen gebruiken.

7.1.2 Nederland

Nederland heeft het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden ondertekend op de eerste dag dat dat mogelijk was en was het vierde land dat het Handvest ratificeerde. Anders dan in andere landen, zoals Groot-Brittannië of Frankrijk, is in Nederland nooit getwijfeld aan het nut en de noodzaak van het Handvest, wat blijkt uit de discussies die in de Eerste en Tweede Kamer over dit onderwerp zijn gevoerd. Het enthousiasme van de Nederlandse regering kan mede verklaard worden door het feit dat zij ervan uitging dat ondertekening en ratificatie van het Handvest slechts een bevestiging (codificering) was van reeds geldend beleid.

Met geringe inspanning kon Nederland een goede beurt maken in Europa. Het was in eerste instantie immers de bedoeling om slechts het Fries als regionale taal aan te melden en daarbij niet verder te gaan dan wat er in bestaande wetgeving was vastgelegd. Voor veranderingen zou het Handvest niet zorgen, noch op politiek gebied, noch op financieel gebied.

Het moet enigszins als een verrassing zijn gekomen, dat plotseling ook voor andere taalvariëteiten dan het Fries erkenning werd geëist. Eerst voor het Nedersaksisch en later voor het Limburgs, allebei taalvariëteiten waarvan in de Memorie van toelichting, behorende bij het ratificatievoorstel, nog expliciet werd vermeld dat ze niet onder het Handvest konden vallen, omdat het dialecten van het Nederlands waren. De argumenten die in de Kamer werden aangedragen om de stelling, dat het Nedersaksisch geen dialect als maar een taal, te onderbouwen, overtuigden de regering en zonder verdere toetsing van die argumenten werd het Nedersaksisch erkend. Deze erkenning maakte de weg vrij voor het Limburgs, dat zo mogelijk nog geruislozer is erkend. Pas toen bleek, dat de Nederlandse Taalunie had geadviseerd het Limburgs in België niet te erkennen, kwam in Nederland een discussie op gang over de gang van zaken rondom de erkenning van de twee 'extra'taalvariëteiten. De regering erkende dat zorgvuldiger had moeten worden gehandeld en beloofde verbetering voor de toekomst. Hieronder werd onder meer verstaan, dat ook Nederland in de toekomst advies zal vragen aan de Taalunie bij de behandeling van verzoeken tot erkenning van regionale talen, net als de Vlaamse Gemeenschap al eerder deed inzake het Limburgs. Wat de gevolgen hiervan zijn voor het Zeeuws, waarvoor naar verwachting in december 2000 erkenning wordt aangevraagd, moet nog blijken. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze erkenning geruisloos zal geschieden, want er zal op zijn minst een degelijke discussie over gevoerd moeten worden, waarvan de uitkomst vooraf niet is te voorspellen. Het is namelijk zeer de vraag of de Taalunie een positief advies zal uitbrengen, maar de overheid zou er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om het advies van de Taalunie naast zich neer te leggen.

Waar de Nederlandse regering er eerder van uitging dat ratificatie van het Handvest zonder daadwerkelijke gevolgen zou zijn, lijken de politieke consequenties reeds een feit. Het gaat wat ver om te spreken over een taalstrijd, maar zeker niet alle neuzen staan wat betreft de aanmelding van taalvariëteiten bij het Handvest in dezelfde richting. Hierbij moet benadrukt worden dat de onenigheid niet zozeer gezocht moet worden in de erkenning van het bestaan en de status van bepaalde taalvariëteiten, maar dat er feitelijk een juridische discussie bestaat over de betekenis van het Handvest. Daarin staat expliciet dat dialecten van de officiële of standaardtaal niet kunnen worden aangemeld, maar een exact verschil tussen dialect en taal als op linguïstische gronden nu eenmaal niet aan te duiden. In dat licht kan worden gesproken van partijen die het Handvest op een strikte wijze willen toepassen en partijen die juist gebruik willen maken van de mogelijkheid om de beleidstekst flexibel te interpreteren. Het is voor elke partij van belang dat zij probeert om de mogelijke gevolgen van het wel of juist niet erkennen van een taalvariëteit te overzien en daarbij rekening te houden met de doelstellingen die aan het Handvest ten grondslag liggen.

Het is immers gebleken dat bijvoorbeeld de Nederlandse regering beslissingen heeft genomen, die onvoldoende waren onderbouwd en die achteraf gezien beter niet, pas na een expliciete discussie of op een ander tijdstip hadden kunnen worden genomen.

7.1.3 Europa

De Raad van Europa heeft geprobeerd om op basis van consensus een taalbeleid te ontwikkelen dat de taalvariatie binnen Europa ten goede komt. In mijn ogen is dat redelijk goed gelukt. Het is waar dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden weinig dwingend van aard als. Zelfs een erkenning onder deel III van het Handvest kan zodanig worden ingevuld dat er slechts in zeer lichte mate actie wordt ondernomen ten behoeve van een bepaalde taalvariëteit. Maar op welke manier een land ook omgaat met het Handvest, er is een discussie op gang gebracht, die lang niet als gevoerd. Europa is de laatste decennia in de ban geweest van eenwording. De positieve en negatieve consequenties daarvan zijn in ruime mate belicht, maar daarbij is vaak voorbijgegaan aan de talige gevolgen. Op internationaal niveau ligt dé vraag welke taal de 'taal van Europa' wordt gevoelig. Lidstaten zijn bang dat 'hun' taal en daarmee hun identiteit weggedrukt wordt en vooralsnog heeft geen enkel land het aangedurfd om de discussie over één Europese taal aan te zwengelen.

Binnen de steeds dunner wordende landsgrenzen blijken echter dezelfde gevoelens op een kleinere schaal te bestaan. Sprekers van regionale talen of autochtone minderheidstalen vrezen voor het voortbestaan van hun taal, zeker nu ze niet alleen met de nationale taal, maar ook met de dreiging van een Europese taal te maken hebben. Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden is het enige in een verdrag vastgelegd beleid in Europa dat specifiek op die groep talen is gericht. En zoals gezegd is het feit dat elk land binnen de Raad van Europa gedwongen wordt om over het onderwerp van taaldiversiteit na te denken één van de grote pluspunten van het Handvest. De grote vrijheid die de landen hebben bij het geven van invulling aan het taalbeleid is een noodzakelijk kwaad, maar maakt één Europees beleid wel mogelijk. Dat er variatie is in de implementatie van het beleid door de verschillende lidstaten lijkt zelfs in overeenstemming met het feit dat er variatie is in talen en in de situatie van de landen waarin die talen worden gesproken.

Op dit moment is er nog geen Europees taalbeleid dat betrekking heeft op zowel autochtone als allochtone minderheidstalen. De taalvariatie in Europa die het gevolg is van migratie wordt niet snel onder dezelfde culturele noemer geplaatst als de variatie die van oudsher geldt. De 'Declaration of Oegstgeest' (2000), die is aangenomen op een congres van de European Cultural Foundation, is een eerste aanzet om dat wel te doen. In artikel 1 van deze verklaring wordt gesteld dat de benadering van minderheidstalen als cultureel erfgoed "non-exclusive" moet zijn en dat er op cultureel niveau dus geen onderscheid moet worden gemaakt tussen talen van migranten en ander talen (Declaration of Oegstgeest, 2000, art.1).

Tegenwoordig kan niet meer ontkend worden dat taal op de politieke agenda staat. De mogelijkheid van één Europese taal (weliswaar op institutioneel niveau) blijft een gevoelig onderwerp, maar alle andere aspecten van taal in Europa, dus ook regionale talen, krijgen volop aandacht in 2001, dat door de Raad van Europa en de Europese Unie gezamenlijk is uitgeroepen tot het Europees jaar van de talen.