R. van Hout, 26 08 2000
Hoogleraar Dialectkunde en Sociolinguïstiek, Katholieke Universiteit Nijmegen

(1) Advies inzake het Algemeen Geschreven Limburgs, zoals verwoord in 'et Rech van et Limburgs', het initiatiefvoorstel van Partij Nieuw Limburg

In het initiatiefvoorstel van de Partij Nieuw Limburg wordt gewezen op de noodzaak een standaard-streektaal, standaardspelling en grammatica vast te stellen wil men de Limburgse streektaal als een levende taal instandhouden (zie paragraaf 0.2). In paragraaf 0.4 wordt maart 2001 genoemd als het tijdstip waarop de standaardtaal moet worden vastgesteld door Provinciale Staten. Hier lopen verschillende zaken door elkaar. Ik neem maar aan dat de standaardisatie in termen van een Algemeen Geschreven Limburgs voorop staat. In dit advies richt ik me daarom vooral op de paragrafen 4.6 en 4.7 uit het initiatiefvoorstel.

Ik heb alle begrip voor de wens van standaardisatie in het gebied van de Limburgse streektaal. Het is een thema dat de aandacht verdient en er zullen in de naaste toekomst op dit vlak belangrijke taalpolitieke beleidsbeslissingen genomen moeten worden, mede als gevolg van de streektaalerkenning van het Limburgs. Met de grootst mogelijke klem zou ik er daarom op willen aandringen om dergelijke beslissingen niet te baseren op een argumentatie die ondeugdelijk is en die getuigt van weinig taalkundige expertise. Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat de argumenten in de paragrafen 4.6 en 4.7 (a) ondoorzichtig, (b) onzorgvuldig, (c) incompleet, en (d) onjuist zijn. Hieronder wordt een en ander nader toegelicht. Maar ik hecht eraan om te merken dat de afwezigheid van een algemene standaard in welke vorm dan ook de erkenning van het Limburgs als streektaal (juist) niet in de weg heeft gestaan.

Bovendien vergt een politieke en wetenschappelijk verantwoorde wijze van standaardisering tijd, deskundigheid en zorgvuldigheid. Tot slot zij daaraan toegevoegd dat het ontwerpen en implementeren van een complete standaardtaal een werk is van tientallen jaren en dat het daarbij in de moderne maatschappij om een investering van tientallen miljoenen guldens gaat. Het getuigt van weinig realiteitszin om de nog samen te stellen Diksjenaer van de Limburgse Sproak op het niveau te plaatsen van de Duitse Duden en de Engelse Oxford English Dictionary (zie pag. 20 initiatiefvoorstel).

a) ondoorzichtig
Het wordt niet duidelijk op welke principes het AGL nu gebaseerd is. Er wordt zelfs gesteld dat het niet gebaseerd is op een strikte fonetische weergave. Hier wordt een soort mist opgetrokken, wanneer men het boek van Prikken over de taal van de Maas ter hand neemt. Mij wordt nergens duidelijk waarom de paragrafen 4.6 en 4.7 zo duister en onsamenhangend zijn geformuleerd. Ik ben ervan overtuigd dat een externe expert-taalkundige hele passages niet zal snappen.

Nergens wordt duidelijk waarom de spelling van het AGL een spelling "in de ware taalkundige betekenis van het woord" is (pag. 23). In elk geval had naast het begrip van de 'fonologische' basis ook melding moeten worden gemaakt van morfologische en lexicale/etymologische principes.

b) onzorgvuldig
Er zou een groot verschil bestaan tussen het AGL en de zogeheten Veldeke-spelling.

Het AGL gaat terug op het Werk van Prikken, die in zijn boek over de taal van de Maas evenwel schrijft dat hij de belangrijkste aanwijzingen uit de Veldeke-spelling heeft overgenomen. Hij hecht er blijkbaar aan om in zijn boek de nadruk te leggen op de overeenkomsten.
Het is weinig zorgvuldig om het Sermoen niet in de oorspronkelijke spelling af te drukken, terwijl die oorspronkelijke spelling, juist een argument moet zijn ten gunste van het AGL.

c) incompleet
Nergens staan er verwijzingen naar taalwetenschappelijke literatuur of naar dialectsituaties elders. De discussie speelt zich blijkbaar af binnen de zeer kleine kring van Limburgse experts van het Limburgs. Het is een misvatting om te denken dat er elders geen interessante voorbeelden te halen zouden zijn over de geschreven standaardisatie van streektalen en dialecten.

In het huidige initiatiefvoorstel wordt niet het Limburgs uitsluitend vergeleken met de grote wereldtalen en dat toch wel wat veel van het goede.

Nergens wordt vermeld dat in het AGL de dialecten boven Venlo volledig uit de boot zullen vallen.

d) onjuist
Het Engels, Frans en Duits zijn geen eenvoudige spellingsystemen (pag. 22). De samenstellers van het initiatiefvoorstel zijn zich blijkbaar niet bewust van andere schriftsystemen dan het alfabetische, gezien hun stelling dat in de taalevolutie de taalbouwstenen uiteindelijk los staan van de oorspronkelijke uitspraakvarianten of klanken (p. 22). Wat op deze stelling volgt aan taalbouwstenen is onzin. Mij is geen taalkundige theorie bekend waarin deze bouwstenen zo genoemd worden.

Eindconclusie
De tijd is nog niet rijpe om welk besluit dan ook te nemen over een Algemeen Geschreven Limburgs. Over deze kwestie moet eerst een gedegen rapport uitgebracht worden, waarin ook aandacht besteed wordt aan de economische en taalpolitieke gevolgen. Op basis van een dergelijk rapport kan vervolgens op verantwoorde wijze politieke besluitvorming plaatsvinden.

(2) Advies inzake de verplichting van de invoering van het Algemeen Geschreven Limburgs

R. van Hout
Hoogleraar Dialectkunde en Sociolinguïstiek. Katholieke Universiteit Nijmegen

Leidt de erkenning van het Limburgs als streektaal in het kader van het Europees Handvest voor streek- en minderheidstalen tot de verplichting van een uniforme gestandaardiseerde schrijfwijze van het Limburgs?

Het voorstel van P.N.L. aangeduid als Algemeen Geschreven Limburgs, komt neer op een duidelijke uniformering en standaardisering, die de norm zou moeten worden voor het hele Limburgse taalgebied.

Op het Limburgs als streektaal, op te vatten als een reeks van onderling samenhangende dialecten, zijn de doelstellingen en beginselen uit deel II van het handvest van toepassing (deel II bestaat uit artikel 7). In deel II wordt nergens gesproken over de verplichting tot uniformering en standaardisering van de schrijftaal. Lid 1d spreekt van de vergemakkelijking en/of stimulering van het gebruik van streek- en minderheidstalen, zowel geschreven als gesproken en zowel in privé- als openbare leven. Daar is niet op een dwingende wijze uit af te leiden dat een uniforme standaardschrijftaal vastgesteld moet worden. In mijn ogen biedt deel II juist uitdrukkelijk ruimte om taalpolitieke maatregelen af te stemmen op de taalsituatie in kwestie, hetgeen uitdrukkelijk kan inhouden dat aan de feitelijke taaldiversiteit tegemoet gekomen wordt door te kiezen voor een flexibel orthografisch systeem dat rekening houdt met de bestaande fonetisch-fonologische en lexicale verschillen.