Bierviltjes met spreekwoorden in de nieuwe Veldeke-spelling? Dat worden waarschijnlijk arabierviltjes!
Wim Kuipers volgde een snelcursus sanskriet maar werd ook niet veel wijzer van de nieuwe Veldeke-spelling.

Alle blàâier blèûe:
de nieuwe spelling van Veldeke

Maaastricht 14 03 2001 - Hoera: de jubilerende vereniging Veldeke heeft (weer) een nieuwe spelling. De vereniging bestond eind januari driekwart eeuw, en dus hadden we op een driedubbeldik jubileumnummer mogen hopen, maar allei: Kölle en Kirchroa zijn ook niet eventjes na de middag opgetrokken. Als geschenk was er alleen de al lang aangekondigde nieuwe spelling.
Daar moet iets over gezegd worden, en laten we met de conclusie beginnen: de Werkgroep AGL is tevreden maar tevens hevig teleurgesteld, en moet dus nog krachtiger verder werken.

Eerst de tevredenheid. Die geldt vooral de duidelijkheid. Helaas niet vanwege de regels die Veldeke opgesteld heeft, maar omdat het nu meer dan duidelijk is dat Veldeke niet kiest voor het Limburgs, en ook niet voor een spelling die buitenstaanders - mensen die Limburgs willen leren of journalisten - kunnen hanteren. Er staat met enige bombarie: Veldekespelling 2000, alsof die een eeuw mee moet, maar - zoals de Werkgroep AGL vaker betoogd heeft: dit is geen spelling maar een manier van noteren van gesproken woord. De redactie van het blad heeft het dan ook terecht over sjriefwies. Bedoeld voor mensen die anderen willen laten ZIEN hoe ze precies SPREKEN. Merkwaardig is dat de streektaalfunctionaris alvast meldt dat de spelling van Veldeke als enigste door de provincie erkend is. Hoezo? Wanneer is dat gebeurd? Wie is bevoegd zo'n erkenning te verlenen?

Maar goed: dit is dus geen spelling, omdat er absoluut geen uniformiteit is. Dat is in de visie van Veldeke ook logisch, want niemand kan iemand voorschrijven hoe hij/zij een woord uitspreken moet.

Maar wat belangrijker is: geen enkele (eind)redacteur van Veldeke heeft weet van al die verschillende uitspraken. De nieuwe spelling leidt op zijn gunstigst tot een ratjetoe, waardoor de kloof tussen de verschillende Limburgse dialecten weer vergroot wordt. We hebben de indruk dat het hier meer over spelletjes en spelen gaat, over de vraag: hoe schrijf ik dit woord zo, dat ik me vooral maar onderscheid van die lui drie dorpen verder. Voor auteurs uit verschillende dorpen - negorijen zou je bijna zeggen - in Noord-Limburg zijn de á (van De Smakt) en de àè bedacht. Ook het eertijds verketterde dakje (^) wordt ingevoerd: â. Dat is de klank van het Engelse woord car. Duidelijke voorbeelden ontbreken nog, maar het dakje zou sinds 1999 (wie? waar? waarom?) ingevoerd zijn "om lange klinkers aan te duiden." Een iê, oê of uû zijn dus langer dan die klinkers zonder dat ding. Wie zal dat horen?

Hiermee is de spelling ingewikkelder gemaakt dan ze was - en we moeten dan ook opnieuw opmerken dat al dit gespelspeel zeer nadelig is voor het aanzien van het Limburgs.

Soorten zeup

Dat willen we verder toelichten. Uit het gepubliceerde overzicht van de klanken van het Limburgs blijkt - als we het goed begrepen hebben - dat je de eu-klank op allerlei manieren kunt spellen. Behalve gewoon eu is mede mogelijk: uë, euë, uè, uj, euj, uw en euw. Zou het hier allemaal om de klank van het keurig Limburgse woord zeup gaan?

Bij de ae wordt het nog komischer. Veldeke onderscheidt de KLANKEN /ae/ en /àè/, die respectievelijk gespeld kunnen worden als: èë(!), aeë, aej, èw, aew (de /ae/), en: eë, àèë(?), ej, ew, àèw en ook weer aej. Wat zou het verschil tussen deze twee aej's zijn? Alles bij mekaar dus 13 verschillende manieren van noteren van een klank die zonder veel moeilijkeden als ae geschreven kan worden. We missen hier trouwens de Maastrichtse ei van meidske (wordt die verboden?), en hele volksstammen zullen in plaatselijke blaadjes en advertenties gewoon ai blijven schrijven.

Spellen wordt kwellen

Voor ware schrijvers is dit gedoe een kwelling, want ze willen gelezen worden. Zoals Frits Criens jaren geleden al opmerkte in een column die binnen Veldeke veel woede verwekte: weinig lezers zullen over de barrière van zo'n ingewikkelde spelling heen willen om Limburgs te lezen. Het wordt inderdaad nog moeilijker een literatuur van de grond (ook letterlijk) te krijgen die zowat overal in het Limburgse taalgebied makkelijk te lezen is, misschien alleen daarom serieus genomen wordt, en in elk geval: de moeite waard is. Schrijvers die vooral letten op: HOE moet ik dit woord schrijven, hebben de voorkeur van Veldeke.

Schrijvers?

Hoor wat Jo Caris, de jongste winnaar van de Veldeke Dialekpries, zondag 4 maart in Roermond meedeelde. Hij is lid van een groep auteurs die in het Limburgs schrijven, onder de vlag van Veldeke, en die hebben beleefd gevraagd of ze mee zouden mogen denken over de spelling van Veldeke. Zij immers moeten die gebruiken. Het antwoord was botweg: nee. Conclusie: Veldeke probeert gezag en status te kweken met een door deskundigen opgestelde registratie van plaatselijke tongvallen.

Met een eigen erkende taal heeft dit gedoe weinig of niets te maken. Het is klankleer, fonetiek, die aan allerlei universiteiten al onderwezen wordt. Belangrijk is deze discipline nauwelijks meer. Nogmaals: Veldeke kiest duidelijk voor klanken, niet voor taal. Niet voor de kracht van het Limburgs, voor idioom, voor de aparte grammatica, voor de eigenheid - nee: voor de al of niet vermeende verschillen.

Nogal wat schrijvers (niet allemaal natuurlijk) zijn vooral in die aparte taal geïnteresseerd. Ze willen wat anders dan het klakkeloos uittikken van gesproken woorden. Maar op dezelfde bijeenkomst in Roermond kregen ze weer de kous op de kop van het Letterkundig Centrum Limburg (LCL). Dat LCL kan en mag - zei secretaris J. Graus - niets doen voor mensen die in het Limburgs schrijven: die moeten aankloppen bij Veldeke. Met andere woorden: het bekroonde en prachtige verhaal Veer karakters van Jo Caris hoort politiek niet tot de (Limburgse) literatuur. Moraal van dit verhaal: als er een hedendaagse Vondel opstaat, of een Gezelle die in het Limburgs wenst te schrijven, wordt die verwezen naar Veldeke, waar vooral op zijn eu's gelet wordt. Want dat het Limburgs wat anders is dan verschillen in uitspraak, dat heeft Veldeke de Limburgers in driekwart eeuw nauwelijks bij kunnen brengen.

Geen leerstoel - niets

De vraag moet dan ook gesteld worden: wat denkt Veldeke hiermee te bereiken? In een beschouwing over het Fries (dat er lang niet zo best voorstaat als het vaderland denkt), getiteld: De winter oer dit Fryslân (wetenschapsbijlage NCR, zaterdag 3 maart) constateerde de uit Belfeld afkomstige Amsterdamse hoogleraar letteren Marita Mathijsen: "Toch is het zonder meer bewonderenswaardig dat het Fries erin geslaagd is zich tot nu toe op academisch niveau te handhaven. Het Limburgs, ook erkend als taal, kent geen leerstoel. Geen bijzondere, geen structurele, niets, zelfs geen mogelijkheid om het als bijvak te studeren."

Zeer juist. En door deze zogenaamde spelling zal dat ook niet makkelijk gebeuren. Want wie niet kiest voor een verstandige eenheidstaal, krijgt steeds meer met onzin te maken. Elke straat gaat zich roeren: wij zeggen dat zo niet.

Blaaier bleue

Dit is een eerste reactie. Veel is nog onduidelijk. De nieuwe streektaalfunctionaris spelt in het nieuwste nummer van Veldeke, het tweede dit jaar al, ideeë (omdat het Nederlands dat zo doet, waarschijnlijk), maar op de bladzij ernaast spelt de voorzitter leje. Ja: leeë zou misschien wat vreemd zijn, maar waarom dan geen ideje? Laat die Hollanders met hun moeilijke spelling van de j tussen twee klinkers maar zitten. Informeer eens hoeveel moeilijkheden vreemdelingen hebben met woorden als fraaie en mooie. Moeten wij blaaier, raaier schrijven naar analogie van fraaier? In navolging van het Nederlands raoe (raden) spellen? Hoewel: dat zal zelfs Veldeke wat al te dol zijn, maar wel greue en bleue? Want het meervoud van reu is volgens het Groene Boekje reuen, en je hebt ook nog - om het ingewikkeld te maken: queuën. Dat lijkt zowat het vreselijkste woord uit dat boekje, maar wie weet wat ons nog in het Limburgs te wachten staat. In elk geval: wie greue verwerpt, moet ook ideeë loslaten. Bovendien krijg je de vraag: hoe spreek je bleue uit? Want het Nederlands kent dat woord ook: een bleue is iemand die bleu is, verlegen, en dat zul je nu nog als bleuwe uitspreken, al zal bleuje ook wel te horen zijn.

Erger is het voorschrift: "na -ie op het eind van een woord volgt organiek een -j: deze wordt weggelaten." Dus: sjötterie - twie sjötterieje, zoals harmonieën? Helaas: daar durft Veldeke nog geen uitspraak over te doen. Gevreesd moet worden dat ook hier de Nederlandse norm verplicht wordt, dus sjötterieë. Deze manier van schrijven - nogmaals: ze is nog niet onthuld - zou dan haaks staan op het principe dat de -j verbiedt, namelijk: zo weinig mogelijk tekens. Nou kun je zeggen dat het niets uitmaakt of je een j schrijft of een trema, maar het Limburgs heeft al genoeg van die leestekens. Elke trema die te vermijden is, bevordert de leesbaarheid. Maar ja: de heren die deze spelling gefabriekt hebben, zullen tevreden zijn wanneer ze zich zo likkend mogelijk aan kunnen sluiten bij het verafgode Nederlands.

Advies: doek de zaak dan op en ga in het Nederlands folkloreren.

(wk)