De zölder


Boven op zolder had (en heb) je spannende ruimtes: de onbereikbare hoek waar de pannen de vloer raken. Op de hooizolder verborg daar de van lieverlee slim geworden moederkat haar jongen. Nu liggen er spullen die je zelden of nooit meer nodig hebt. Of je dierbaar kinderspeelgoed. Ook niet meer nodig, maar met de vuilnis meegeven?

In ons Taalhuis worden op zolder de oude bijna vergeten maar wel dierbare woorden bewaard. Je gebruikt ze niet meer, maar het is zonde ze weg te doen. Overigens: dat ze bijna vergeten zijn, wil nog niet zeggen dat het om oeroude woorden gaat. Wie ziet of hoort nog het woord brozem? Misschien veertig jaar oud: een combinatie van brommer en nozem - ook een al bijna vergeten woord.

Oude of weinig gebruikte woorden moeten wel op een of andere manier bewaard worden. Het Woordenboek Nederlandsche Taal (WNT) gaat hierin heel ver. Er staan tientallen woorden in die maar één keer aangetroffen zijn. Stolken bijvoorbeeld. Dat staat in het Antwerps Liedboek: (...) Door ghene swerte wolcken/Mi dunct ic sie een sterre claer/Al door die wolcken comen stolcken.

Iets als: plotseling opduiken? Het is ongetwijfeld hetzelfde woord als het Engelse to stalk, dat we inmiddels overgenomen hebben als stalken. Enkele betekenissen van to stalk: sluipen, rondwaren (spoken) en achtervolgen. Misschien heeft stalken wel bestaan, neigde ergens in het Brabants of Vlaams de /a/ onder invloed van de /l/ wat naar een /o/, en heeft de dichter zo - maar misschien ook door rijmdwang - het woord stolcken neergeschreven.

Nog een voorbeeld van wat het WNT als een woord beschouwt: in kolom 2921, deel XII-2 prijken de Poedelhaters: een "een kegelgezelschap te Heerlen", maar zonder verdere verklaring.

Goed - we gaan het verder vooral over (vrijwel) vergeten, onbekende Limburgse woorden hebben - zoals sjóm. Een woord van Carel Ververs uit Deurne, opgegroeid in Tegelen. Det sjtök landj lik al veer jaor sjóm, geeft hij als voorbeeld: braak. Tussen haakjes: hij zegt natuurlijk lank - dat is Tegels.

Sjóm staat ook in het woordenboek van Tegelen, met de aantekening dat het uitsluitend voorkomt in combinatie met het werkwoord ligke. Ververs meent dat sjóm uit het Frans komt, en dat zal wel. Want chaume - uitgesproken als sjoom - betekent: stoppel, stoppelveld, dus land waar geen gewas (meer) op staat. Een interessante ontwikkeling.

Nog een woord van Ververs dat niet in het Tegels woordenboek staat: poelke. Een zakflesje. Als voorbeeld geeft hij: De jaeger haolde zich zie poelke oet de vóttetes en noom zich ei sjluukske taenge de kèlt (kou). Hij denkt dat het woord van het Latijnse ampulla komt, oorspronkelijk een zalfflesje. Wij kennen de ampullen uit de kerk: kannetjes voor wijn en water. Het zou dan hetzelfde woord zijn als (bier)pul, en laten we het daar maar op houden.

Er is ook een woord poel dat de betekenissen zak, buidel en buil (gezwel) had - dingen die volgens het WNT "(hol en) bol, dik, opgeblazen" zijn. Het woord (uit)puilen is hiermee verwant, en peul. Misschien ook de poelekes: de handjes van een kind. Ook de voetjes, meent Jean-Paul van Gasselt in zijn Venloos Opzeuk Bukske, maar die lijken niet op een buidel. Volgens het andere Venlose woordenboek is poeleke: lief klein meisje. Zullen we maar zeggen dat hier pöl of pul (jonge kip en dito meisje) en die mollige handjes een beetje door mekaar gelopen zijn?
(w.k.)

ligt er ook nog iets bij u op zolder??? mail ons:
info@limburghuis.nl