15 01 2001 Wim Kuipers
Meer over morfologie.

2. Kran en kaef

We hebben morfologie "de leer van de woordvorming" genoemd. Daar kwam meteen bezwaar tegen. Vormleer zou een beter woord zijn. Nou ja: v. Dale geeft dat woord als synoniem van morfologie, maar verhelderend is het niet. Ook ongelede woorden hebben een vorm - dat zijn woorden die niet verder uit elkaar te peuteren zijn, behalve in klanken. Een paar voorbeelden: deem (tepel van een melkdier) en sjtreen (knot breigaren). Over sjtreen is op te merken dat aan het begin van woorden na /s(j)t/ als derde medeklinker alleen maar een /r/ mogelijk is.

Een tweede bezwaar: onder vormleer kun je ook verstaan hoe woordgroepen en zinnen gevormd zijn. Dat hoort echter bij de syntaxis - de morfologie bestudeert uitsluitend afzonderlijke woorden.

Er is ooit ook de term woordstructuur voorgesteld. Wellicht wat juister, want in elk boek over de morfologie staan woorden die opgebouwd lijken uit elementen, een structuur lijken te hebben, maar ze zijn niet echt uit elkaar te peuteren. Voorbeelden zijn zunig (zuinig) of kaever . Dat laatste lijkt een woord als waever, de persoonsnaam bij het werkwoord waeve, maar een kaever is niet iemand die *kaeft, want er bestaat geen woord *kaeve.

Ook kan kaever een vergrotende trap zijn, maar dan moest het grondwoord *kaef zijn. Voor zunig geldt dat er geen grondwoord *zuun bestaat. Elementen als *zuun en *kaef noemen we wortels.

Samenvattend: de omschrijving "leer van de woordvorming" voor morfologie lijkt het duidelijkst. Elke leek concludeert daaruit: je leert hoe woorden gevormd zijn of worden (nieuwe woorden). Hierbij moeten we aantekenen dat er vrijwel nooit echt nieuwe woorden gemaakt worden of ontstaan - woorden als *stroelp of *kran. Dergelijke woorden hebben geen zin, want niemand doorziet ze.

3. Over de höb en de krieg

De definitie woordvorming dekt ook wat genoemd wordt "afleidingen van een werkwoordsstam" (Algemene Nederlandse Spraakkunst). We hebben eerder eenvoudig verklaard: de stam van een werkwoord wordt als zelfstandig naamwoord gebruikt. Je hebt er twee in de mooie Limburgse uitdrukking: (det neum ich) kal van de sjlaop . Een woord als sjlaop betekent zoveel als: 't sjlaope - en men neemt daarom aan dat de werkwoorden sjlaope - en ook kalle - er eerder waren dan de bijbehorende zelfstandige naamwoorden. Die zijn daarvan afgeleid. Soms is niet aan te tonen welk woord het eerst bestond (zeker niet in het Limburgs, waarin nauwelijks wat geschreven is), maar dat is bijzaak.

Deze manier van woordvorming lijkt (is) in het Limburgs produktiever dan in het Nederlands. Misschien omdat het Limburgs leniger is, nog niet uitgeschreven, veel meer een gesproken taal. Kal van de sjlaop, sjaele of ónneuzele kal: dat hoor je in Limburg haast dagelijks. Nederlandse 'vertalingen' met praat zijn zeldzaam.

Dat geldt ook voor een synoniem van kal, namelijk zèk (van zèkge, zeggen). In het woordenboek van Elsloo staat: de zèk geit: men zegt dat ... Ook: miene zèk taenge dae van häor.

Het is bepaald niet onvoorstelbaar om te zeggen: miene mein is. Misschien wat bescheidener (Limburgser dus) dan meining. In de standaardtaal is mijn meen vrijwel onmogelijk.

Een aardig voorbeeld is nog: dae haet eine goje blaos - kan krachtig en lang blazen. Anders gezegd: hij heeft blaasvermogen. Hoor je in de standaardtaal zeggen: "Die kerel heeft een krachtige blaas", dan betekent dat heel wat anders. Kunnen wij blaos voor 't blazen gebruiken omdat het anders uitgesproken wordt dan de blaos (stoottoon) waar de urine in zit? Wel een bewijs van de kracht en lenigheid van het Limburgs.

Nog wat Limburgse woorden die identiek zijn aan een werkwoordsstam. Een van de mooiste is trèk. Dat betekent allereerst tocht: zowel letterlijk (de trèk nao de sjtaej), als klimatologisch: eine vieze trèk. Dan betekent het uitkering: dae haet einen duchtigen trèk van de koel, en dan is er nog de verrassende betekenis (vooral in het noorden van Limburg): een tafella. Kiek ins in d'n trèk of det dao neet lik.

We gaan verder. Een kaok is een vrouw die kookt op bruiloften. Vergelijk dat woord met kokkin.

Zo'n kaok zorgde - ruw gezegd - voor de vraet. Je kon ook wel eens horen: dae mót hel wirke veur de aet en de vraet - om zijn dieren en gezin te voeden.

Anderen krijgen ein pej - loon of salaris, van pejje: uitbetaald krijgen. Hier is lastig uit te maken wat er eerst was, want misschien komt het woord rechtstreeks van het Franse paye, uitgesproken als /pej/: loon. Mocht het moederwoord het werkwoord payer zijn, dan moet opgemerkt worden dat de eerste betekenis van dat woord 'betalen' is, maar pejje heeft nooit die betekenis. Er is dus duidelijk een eigen woord ontstaan.

Nog meer over geld: dae laege is ram veur de höb. In het woordenboek van Elsloo staat: veur de höb en de krieg - hebzuchtig. Tenslotte: zie haet dao eine veug van - daar is ze handig in.

Volgende aflevering: over roop of reup.