Voer voor morfologen...

Een veld dat nu nog ver van de boer ligt
maar iemand moet toch met de morfologie van het Limburgs beginnen.. .

Bij een beschrijving van het Limburgs mag de morfologie niet ontbreken. Dat is de leer van de woordvorming, de manier waarop woorden gevormd zijn. De morfologie werd vroeger in een spraakkunst of grammatica behandeld, maar is langzamerhand een aparte tak van de taalkunde geworden.

De morfologie onderzoekt zogeheten gelede woorden: woorden die uit mekaar te halen zijn. Eine veuraeveväöl bijvoorbeeld. Woorden als sjtool en sjtaon heten ongeleed.

De morfologie omdat grofweg twee onderdelen. Allereerst de leer van de veranderingen die een woord kan ondergaan. We onderscheiden hier verbuiging of flexie (vergelijk flexibel: buigzaam), bij zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, en voornaamwoorden: deze minsj, mien vrouw. Voor het Limburgs komt hier het lidwoord ein(e) bij.

Hier horen verder bij: de meervoudsvorming (heel belangrijk in het Limburgs) en de vervoeging van werkwoorden. Die is in het Limburgs onregelmatiger dan in het Nederlands. Vergelijk: ich loup, doe löps, hae löp, veer/zie loupe, geer loup (in sommige gebieden hoort men ook : geer lop.)
En dat is alleen nog de tegenwoordige tijd.

De tweede categorie is de woordvorming. Er zijn drie manieren daarvoor.

a. samenstelling: het aan elkaar plakken van woorden, zoals loupsjans
b. afleiding: woorden maken door voor- en achtervoegsels (besjtaon, sjtäönder).
c. (voor de volledigheid): samenstellende afleiding eine veerkentjige boer .

Tot slot zijn er nog twee mogelijkheden van woordvorming die bij de morfologie van het Limburgs meer aandacht moeten krijgen dan in de Nederlandse grammatica's gebruikelijk.

Het Nederlands heeft alleen nog enkele resten van de klinkerwisseling of ablaut. We zien die wisseling bij sterke werkwoorden: sluiten-sloot en det verwante zelfstandig naamwoord slot en sleutel.

Het Limburgs kent deze klinkerwisseling ook bij zwakke werkwoorden, bij de meervoudsvorming (sjtool-sjteul) en in nog een paar gevallen (zjwart-zjwertsel: spul om een voorwerp zwart te maken).

Eine sjrief
Interessant is de categorie zelfstandige naamwoorden die louter bestaan uit de stam van een werkwoord, zoals duw of stoot. Het Limburgs heeft meer van deze woorden, en in ieder geval andere, zoals kaok: een vrouw (of man inmiddels) die op bruiloften en partijen gaat koken.

Deze manier van woordvorming (substantivering geheten) lijkt in het Limburgs nog produktief. Zo kon een oma tegen een van de kleinkinderen zeggen: hiej höbste eine sjrief: iets om te schrijven. Ze kon op dat moment waarschijnlijk niet op het woord viltstift komen.

Wat gaan we nu aan morfologie doen hier in het Wirkes?
Welnu: we beginnen met een aantal gevallen van woordvorming die in het Limburgs duidelijk verschillen van het - toch zo verwante - Nederlands. Dat zijn er meer dan menigeen vermoedt. We streven hierbij niet naar volledigheid (dat het voorvoegsel wan- de betekenis heeft van verkeerd of slecht, kun je in een Nederlandse grammatica opzoeken), noch naar streng wetenschappelijk werk. Het gaat om aantekeningen die voor de taalliefhebber interessant en verhelderend zullen zijn, en stimuleren tot een verdere studie van het Limburgs.

w.k.