Daar zijn we weer … met: oos Taal
aflevering 13

We zijn er weer. Niet om te sjtraevele, maar om verder te bouwen aan de Limburgse taal. Oos Taal. Om te beginnen: de gelijknamige rubriek van Wim Kuipers in weekblad De Trompetter is abrupt wegbezuinigd. Jammer: er was grote belangstelling voor. Er staan twaalf afleveringen van op deze site – de rest zal, maar geheel bewerkt, volgen. We beginnen echter met wat nieuwe afleveringen, dus onder dezelfde naam. Die geeft precies weer waarover we het willen hebben: onze eigen taal, die door het genootschap Onze Taal verwaarloosd wordt. Maar dat zal misschien mede aan ons Limburgers liggen.

dialect met de status van regenwormen:
heel lang, heel laag

Door Wim Kuipers

06 05 2003 - Oos Taal. U mag zelf bekijken wat u zich hierbij voorstelt. Wij hebben het over het Limburgs als cultuurtaal. Dat moet bijna vanzelfsprekend een geschreven Limburgs zijn. Helaas dringt dat nog niet door in het bronsgroene. Elders wel. De taalkundige Harrie Scholtmeijer keek in zijn boekje Naast het Nederlands, over dialect en dialecten dus, wat naar de toekomst. Hij verwacht dat : "(…) het traditionele dialect, gekoesterd en gecultiveerd, meer en meer als schrijftaal verder zal leven."
Bingo. Maar – gaat hij verder: "Sommigen beoordelen de ontwikkeling van dialect tot cultuurtaal als ongunstig: het dialect, dat altijd aangesproken heeft door de natuurlijke manier waarop het bij de hoorder overkwam, krijgt nu toch iets kunstmatigs, gestileerds." Hij kon wel muuske gesjpeeld höbbe bij de commissievergaderingen van de Limburgse Staten. Daar hebben ze het alleen over gesproken dialect.

Levert geschreven Limburgs (bijvoorbeeld AGL) nu minder natuurlijkheid op?
Ja natuurlijk. Iets wat (betrekkelijk) nieuw is, kan niet zo heel natuurlijk zijn, al beweren fabrikanten van allerlei voedingsmiddelen het tegenovergestelde, wat heel goed mogelijk is. Want we zijn al wat natuur kwijt.

Lang en laag

Edoch: wat is natuurlijk? Het Nederlands dat je op radio en tv hoort? Zeg dat niet tegen een leraar Nederlands uit Groningen of Geleen. Alleen: wat je de hele dag hoort, dat LIJKT natuurlijk. En daar zit het probleem. Het AGL is nog nergens te horen (hier en daar te lezen, dat wel), is dus niet natuurlijk, maar als het om gesproken taal gaat, wie beseft wat natuurlijk is en wat niet? Gewoon onzin. Maastrichtenaren kunnen niet horen of iemand natuurlijk Weerts, Tegels of Mooks praat. En wat meent die Scholtmeijer? "De nieuwe rol van schrijftaal zal er ongetwijfeld toe bijdragen dat de status van het dialect, al heel lang heel laag, nu eindelijk verhoogd wordt", zegt hij.

Heel lang heel laag. Daar is in Limburg nog niet veel aan veranderd. We gaan weer wat proberen. Verder: een jaar geleden dachten we aan een spellingdebat. Maar als er slechts één reactie komt, kun je moeilijk van een debat spreken. We denken dus maar: mensen met hart voor de Limburgse taal interesseert de spelling niet.

En de mensen die ZEGGEN hart voor de Limburgse taal te hebben, bestuursleden van Veldeke bijvoorbeeld, die reageren niet. Die hebben geen behoefte aan andermans mening. Helaas. We gaan daarom verder niet al te serieus in op de regels die Veldeke geheel voor eigen rekening lanceert, en wachten v.w.b. (verdere) discussie af wat de Raod veur ’t Limburgs en/of de provincie over de spelling van de al meer dan zes jaar geleden erkende streektaal te melden hebben. Mocht het provinciebestuur de rammelende transcriptievoorschriften van Veldeke uitroepen tot DE spelling van het Limburgs, dan zullen wij ons daar niet bij neerleggen. Maar nog één keer onze mening: spellingvoorschriften zonder een behoorlijke woordenlijst, hebben geen zin. Mensen willen opzoeken hoe je een woord schrijft, niet beredeneren, en zeker niet heel nauwkeurig gaan luisteren. In ons archief kunt u lezen (Zoépkoèlen of gewoon spellen) hoe plots weer volstrekt overbodige tekens opduiken, al denken anderen daar anders over (Zie ons archief: lezer 1; lezer 2  lezer 3 lezer 4 lezer 5 lezer6 ). Die Limburgers zijn – zo moet je concluderen – voornamelijk geïnteresseerd in hun eigen uitspraak.

Het zij zo – maar we gaan nog heel even door. Kijken we naar de spelproblemen van het Nederlands, dan zien we daar ook wat gekissebis, maar toch vooral duidelijkheid. Dat zit zo. De regels voor de spelling van het Nederlands kent vrijwel niemand. Hooguit neerlandici die op de universiteit niet voor een pretpakket kozen (lekkere romans, dichters à la Campert). We hebben het dan over de vraag wanneer je EI spelt, wanneer de zogeheten lange ei = IJ, waarom vacht naast vlag en denk verder even aan OU/AU. Maar dat hoef je allemaal niet te weten, want als je twijfelt zoek je het moeilijke woord gewoon op in een woordenboek of in het beroemde Groene Boekje. Nog makkelijker is de in de computer/tekstverwerker ingebouwde spellingcorrector.

Wersjijnlek

Helaas: zoiets is voor het Limburgs alleen mogelijk als je dat Limburgs vastlegt, bepaalt. Dat zal voorlopig niet lukken (we zijn realistisch), maar we streven wel naar een eenheid. Dat kan makkelijker dan menigeen denkt, mits men wat particularismen overboord wil zetten. Laten we eens kijken naar het eerste woord van het zo bewierookte Mestreechs Diktee: wersjijnlek. Wie bepaalt helemaal dat dat zo geschreven wordt, met -lek? Veldeke heeft wel drie mogelijkheden voor het achtervoegsel dat in het Nederlands uniform als -lijk gespeld wordt: -lek, -lik, en –liek. Waat eine kwatsj. Je moet gewoon één notatie voorschrijven, en wij stellen -lik voor. Wij horen voornamelijk belachelik, met de /i/ van mich, die ook te horen is in tachetig, gezellig. Dus: liever vrolik schrijven dan vrolek – ook al omdat er voor de zogeheten stomme e geen apart teken bestaat.

Maar nu krijg je een verbogen vorm van zulke woorden. Algemeen wordt geschreven: de keuninklikke hermenie. Maar als de commissie van Veldeke voorstelt in navolging van het Nederlands (waarom toch?) geen twee k’s te spellen. We moeten aannemen dat gekeken is naar meervouden als dommeriken, naar een werkwoord als zaniken . Ook in het enige echte Limburgse woordenboek, de taal van de Maas, is dit gepraktiseerd: sjrikkelike, hoewel de uitspraak vraagt om sjrikkelikke.
Maar wat doen we met woorden die op sjrikkelike lijken, maar geen achtervoegsel hebben? We noemen het niet in de hele provincie bekende, maar prachtige woord alik: heel, niet kapot. Moet je alike spellen, hoewel dat Engels lijkt?

Prima – maar daar kun je geen regeltjes voor geven, zoiets moet je gewoon voorschrijven, verordonneren, in een woordenboek. Hetzelfde geldt voor pierike (pierelinke oftewel regenwormen). Wat moet je hiermee? De praktijk lijkt te zijn: laten sloffen tot geen mens meer weet wat alik is en alle pierik(k)e pieren zijn geworden. Dan kunnen we ons weer gezellig sjtechele over … wat echt Mesjtreechs is en vuil-Maastrichts oftewel boers: is het slaag of sjlaag?

We eindigen met een boodschap: het is belachelijk dat tien (of twintig) schrijvers in Limburg zich onafhankelijk van elkaar etc. zouden moeten afvragen hoe je die vage klank van Nederlands -lijk nu weer spelt.

Reacties naar: info@limburghuis.nl,
of:
agl@home.nl.
of: Wim Kuipers, Bergweg 13, 6212 CW Maastricht, tel. 043-325.23.22.

Volgende keer: over wied en wiet.