Oos Taal – aflevering 14 - door Wim Kuipers

Sjtangketsel mit bulkes

20 08 2003 Een kinderhand is gauw gevuld. Oftewel: ik kan blij zijn als een kind over een nieuw woord dat ik hoor. Of: een volksetymologie die ik niet als zodanig gezien had.

Volksetymologie is letterlijk: het verklaren van de herkomst van een woord door het volk. Dat gebeurt door vreemde woorden zodanig te veranderen, dat de betekenis duidelijk lijkt. Bekende voorbeelden zijn hangmat van het Spaanse hamaca, dat niets met wat hangen dan ook te maken heeft, en vooral scheurbuik, een vervorming van de laat-Latijnse doktersnaam scorbutus. Het is echter geen ziekte van de buik, maar je krijgt een ontstoken mond, zodat eten heel moeilijk wordt. Oorzaak is een gebrek aan vitamine-C, bijvoorbeeld omdat je geen golje lieskes had - Golden Delicious. Ook een volksetymologie, evenals een Franse faer (dat zal duidelijk zijn).

Jan van Teng uit Horst (hij heet anders, maar tot in de verre omgeving van Horst kent men hem zo) maakte me attent op de (waarschijnlijke) volksetymologie s(j)tangketsel. De Nederlandse woordenboeken hebben staket of staketsel, maar die woorden ben ik eerlijk gezegd nog nooit tegengekomen. Ik tik even over wat het WNT meent: een rij staken of palen, op geringe afstand van elkander in de grond geplaatst.

Ik denk dat wij veel meer aan een hekwerk denken, zoals het Duitse Staket: hek of houten schutting. Ook in het Middelnederlands kom je staket(te) tegen. Toch menen de taalkundigen dat het woord via het oudfranse estakete verspreid is, maar: daar zit het Germaanse woord staak of stake in.

Als je dit allemaal bekijkt, lijkt het of (alleen?) het Limburgs hier in plaats van een staak een stang gezien heeft. Om het woord te verklaren. Want de Limburgse woordenboeken spreken over het algemeen van (gesmeed) hekwerk. Je kunt zo’n hek ook anders zien. De dichter Co Woudsma noteerde: " (…) er bloeien zakjes pracht / achter de stalen stralen / van een hek." Stralen van staal – dat is zeker bij een hek rond de kerk een mooi beeld. Ik wijs nog even op een betekenis van sjtang die ik in het Nederlands niet aantref, namelijk: ein sjtang zeip.

Volksetymologie zou je verder kunnen vermoeden bij de loer(e)jóng, een instrumentje op de buks om wat beter te kunnen loeren en dus de bulkes te raken. Misschien een vervorming van het Franse lorgnon, en dat is, ik tik even over uit de v. Dale: oogglas met een handvat voor één oog. Het woordenboek van Echt heeft loerejan. Mag ik loerejóng beter vinden?

En dan, nou nee: ik zou me niet meer met de spelling van het Limburgs …

… bemoeien?

Dat mag toch wel? Alleen: niet meer over zeuren. Welnu: hierboven staat bulkes. Ik lees veelal ten tijde van het OLS in de gezet: bölkes. Over het verschil in uitspraak tussen de /u/ van put en de /ö/ van pöt, daar ga ik niet meer over. Luister eens hoe groot dat verschil is. Klein? Allei. Ik hoor verschil, zeker, maar ik vraag me af of de spelling bölke gebaseerd is op LUISTEREN.

En wat dan nog? Het is zo moeilijk te weten wat je zelf zegt en zei, of je buurman. Alles is dus goed?

Nee: Oos Taal heeft wat wetten. Zo is bulke het verkleinwoord (dimunitief) van ból, en bölke van bol. Ook daar hoor je onderscheid, misschien duidelijker, wie zal het zeggen. Ik zeg: de Limburgse woordenboeken bieden journalisten weinig houvast. Die van Heerlen, Susteren en Echt hebben bol- bölke, Remunjs zou ból-bulke zijn, Herten heeft ook bulke, en dan komt Tegelen: ból-bölke. Dat is een missertje van dit toch zeer zorgvuldige woordenboek. Of hoorde je dat daar in de jaren zestig?

En dan zag ik een ontwerp (eindexamen Academie van Bouwkunst, Maastricht) voor de verbouwing van een voormalig schoolgebouw in Helden tot natuurcentrum. En hoe gaat dat centrum heten? Juist: Kerkeböske. Ben je flauw dan zeg je: genoemd naar de collectebus. Want böske is in vrijwel alle plaatselijke dialecten: busje, in beide betekenissen. Nou weet ik niet of Helden bos zegt of bós, maar waarom kunnen we niet afspreken dat het woord bós is (wat je overwegend hoort, denk ik), en dus: buske. Hetzelfde geldt uiteraard voor de bul en de böl. Ik neig naar bulke. Wie reageert?

Volgende keer: Gronsvelds opsoppen.