Oos Taal – aflevering 16

door Wim Kuipers 

Gronsvelds opsoppen

19 09 2003- Er bestaan nogal wat (vreemde) meningen over de Limburgse taal. Een groot deel van Nederland denkt dat het een gewoon dialect van het Nederlands is, zoals het Haags of het Tilburgs (dat sterk in opkomst lijkt). Mensen willen dan ook niet geloven dat het Limburgs zeker 6.000 woorden heeft die de gemiddelde vwo-leraar Nederlands in Apeldoorn of Alkmaar niet kent. Dat zijn lang niet allemaal uitsluitend Limburgse woorden. Veel ervan komen ook in het Rijnland voor, in het officiële Duits, een paar honderd staan met de vermelding gew. (gewestelijk) in de v. Dale, en een paar duizend in het Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT). Vaak vergeten woorden als misnete, het tegenovergestelde van genete .

Maar hoe wordt hierover gedacht? De samensteller van twee woordenboeken van het Gronsvelds, Gilles Jaspars, meende in de rubriek De Beterweter van Dagblad De Limburger (WegWijs 25 06 03): "Het dialect heeft hier echter, zoals zo vaak, gefungeerd als schatkamer van oude, niet meer bestaande woorden." Hij had het over goonsdig (woensdag), en daar zal ik het nog over hebben. De vraag is: waarom zouden die woorden die door een paar honderduizend Nederlanders gesproken worden, niet of niet meer bestaan? Bestaan al die duizenden Gronsveldse en dus Limburgse woorden die Jaspers zo noest, liefdevol en deskundig verzameld heeft voor zijn woordenboeken, bestaan die niet meer?

Natuurlijk wel. Ze staan of komen in het WLD, het Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Daar schiet je niet zo heel veel mee op. Woorden die niemand maar dan ook niemand meer gebruikt, die zijn prachtig voor ons spel Waor of neet Waor (zie elders op deze site). Het heeft echter zelfs voor schrijvers nauwelijks nut die te gebruiken. Ik heb het dan niet over woorden als kapel, pepel, miepmop, roewvogel of nog andere benamingen voor vlinder, zoals pannevogel. Want: enkele van deze woorden kunnen zo in een Nederlandse zin fladderen. Vertalers klagen vaak dat ze te weinig synoniemen hebben. Het Limburgs kan helpen, maar ja: als een woord geen randstedelijke Ausweis heeft, komt het niet in de v. Dale. En een woord dat niet in dat taalkundig tabernakel staat, bestaat voor veel lui niet. De gemiddelde Nederlander gedraagt zich ten opzichte van woorden uit de boetenieje bepaald racistisch.

Ik noem een woord dat bepaald nog gengig is en dat het Nederlands zou kunnen verrijken: opsoppen. Redacteuren van Dagblad De Limburger die meer begaan zijn met vermeende correctheid van woorden dan met boeiend schrijven, pakken het Alwoordenboek en laten je zien: hier, tussen opsonine en opsouperen staat niets. Dus: opsoppen "bestaat niet." Zo eenvoudig redeneert men in ons taalarme land.

Maar wat een prachtig woord dat opsoppen. Het is letterlijk: (met een dweil) water opnemen. Je moet dat voor je zien: een dienstmeid in vroeger dagen, op de knieën, kont naar achteren, ploenjere mit d’n dweil …, en ik verzin: wie de maag d'n ummer water opsopde dae menier umsjteet wie d'r häor achternaozoot, dae vieze, doe mós ze döbbel opsoppe: det water en waat passeerd woor. Dat tweede opsoppe betekent: niets zeggen, leid verbiete, zjwiege zjwiege en doon. Maar ook: veel voor de kiezen gehad hebben – det meuderke haet get mótte opsoppe: twie zeuns op de waeg ómgekómme, die vore wie gekke, en ein van de maedjes wit ze neet wo det zit. In het Nederlands zou je hier verwerken kunnen gebruiken, of incasseren – maar liever: opsoppen. Doen.

Volgende keer: Huilen om de kamerplak.