Oos Taal: aflevering 17

Huilen om de kamerplak

Door Wim Kuipers - Allewiel – dat is tegenwoordig – zijn er weer boeren die emigreren. Honderden. Ze beginnen opnieuw – ergens bij Leipzig, in Tsjechië of Polen. Plak zat daar. Oftewel: genoeg plaats – om te boeren. Dat woord plak betekent vooral in Noord-Limburg: een lap grond. Achter Horst ligt een gebied dat de Zwarte Plak heet. In de Tweede Wereldoorlog was dat een centrum van verzet. In 't beukske Ein haffel – hampel – Aarcens en Lomms staat: eine groete plak mangelwórtele veur 't vie.

Dit plak is hetzelfde woord overigens als plag: een plag hei – een zode zou je kunnen zeggen. Daar heeft het Limburgs andere woorden voor: ris en in het zuiden groos. Een groos is in Midden- en Noord-Limburg een kleine plak. Eigenlijk een stukje gras langs de weg, waar de geit graasde: op d’n tujer stond. Vastgebonden aan een paal: de tujerpaol.

Allez: definitief verleden tijd, dat verschijnsel. De plak niet – dat wil zeggen: een kleinere plak of doek. Oudere vrouwen hadden ei plekske rond hun hoofd – inderdaad: het hoofddoekje. Je hoorde ook: kopplak, maar plekske was voldoende: dan wist iedereen waar je het over had.

We hadden verder de tesseplak, hier en daar maalplak geheten.
De wat? Helaas: ik denk dat zakdook overal wint – en daar moeten we ons bij neerleggen. Bovendien: zakdook klinkt Limburgs, vooral het verkleinwoord, dat veel gebruikt wordt voor tissue: zakdeukske. Nietwaar: deukske is geen deukje (kan wel), maar het verkleinwoord van dook, met klinkerwisseling. Daarbij komt – en dat is zonder meer merkwaardig, dat in het meervoud ook bij het eerste deel van deze samenstelling klinkerwisseling optreedt. Want ik hoor alom zekdeukskes zeggen. Taalkundig zal dit woord wat anders ontstaan zijn – maar daar gaat het hier niet om. Het is een woord dat kans heeft te overleven.

In tegenstelling tot het mooie woord kamerplak, die zich ontwikkeld heeft (denkt hij) tot sjtaofdook. Ik heb geen idee hoe verbreid dit woord eens geweest is, maar de kans dat dat nog terug komt, is uitgesloten. Hoe jammer, want er zit een stukje cultuur is: stof afnemen gebeurde vooral in de gooj kamer, omdat je daar niet veel kwam. Boeren leefden in de (woon)keuken, en daar was het zo druk dat er nauwelijks stof kon blijven liggen.

Ik wil nog even opmerken dat eine plak een doek is van de omvang van een handdoek of kleiner. Een woord als *zeilplak lijkt onmogelijk, of ook: de plak van de sirktent sjeurde.

En dan de doek die in de top-tiens van Limburgse en Rijnlandse woorden zo hoog eindigde: de sjóttelsplak of vaatdoek. Tussenvraagje: zou het woord plak misschien achterlijk gevonden worden? Dat heb ik eens een vrouw horen beweren op de Limburgse radio. Althans: de sjóttelsplak, dat woord was toch iets van voor de middeleeuwen, zei ze. Ik pleeg dan te zeggen: wat moet het zijn, vaatdook? En wat voor vaten wassen jullie daarmee, bier- of bloedvaten? Haarvaten misschien (vanwege dat wassen)? Ik bedoel: waar hebben we het eigenlijk over? Over de harde V van faatwas? Want als ik erg kwaad word, vraag ik: weten jullie waarom Hollanders van vaatdoek en vaatwas spreken? Ze eten nog steeds uit vaten, omdat ze zo’n grote mond hebben. Helaas: ik vrees dat sjóttelsplak samen met wat sjiefkes bedorve woosj of weurs in de dreksbak belandt.

Wat moeten die sjiefkes ineens?

Nou: in het Nederlands is de voornaamste betekenis van plak: een stukje gesneden worst of kaas. Dat hoor ik in het Limburgs helaas meer en meer: een plakje kies of kees (kaas). Nooit gehoord: ei plekske. Ik denk dat de van huis uit Limburgs sprekende nog wel ergens in zijn grijze cellen heeft dat plekske een hoofddoekje is.

Plakjes waren hier sjiefkes, met een korte ie. Sjiefke met langere ie (sleeptoon) is een schijfje – een schijfje als een medaille, waar we in het Nederlands weer plak tegen zeggen, als het om een sportmedaille gaat. Daar hadden we natuurlijk sjief voor moeten hebben, maar ja: de Limburgse taal wordt helaas niet gemaakt, alleen beschreven, door doctorandussen die zelf geen woord schrijven, en vrijwel nooit op straat komen. Bijvoorbeeld omdat ze vanuit Nijmegen, Leuven of nog verder weg opereren.

Maar wat moet je eraan doen? Ik kan wel roepen: blief kómkómmerte in sjiefkes sjnieje, wie zal reageren? En toch …

Verwant is natuurlijk ook het woord plek. Plek en Plak: dat zijn zeker broers, zo niet een twee-eiige tweeling. Middelnederlanders konden ze niet uit mekaar houden: plek en placke betekenden allebei plek. In ’t Limburgs is er duidelijk onderscheid. Je kunt niet zeggen: de plak van het ongeluk. Ik denk verder dat het verre neven zijn van playa: een lap zand bij de zee.

Ik loer nog even in het boekje uit Arcen en zie: 't waerk plak vandaag nie. 't Sjuut neet op, en dan gaan we naar het echte toveren. Een koude zwager van mij, uit Helden – zei eens: doe mós euver Verviers vare, det plak baeter.

Prachtig. Hij bedoelde: je schiet dan beter op. Zo hoort het: een oud boerenwoord gebruiken voor een hedendaagse verkeerstip.

Volgende keer: Oetlitse euver eine lap.

Reacties naar: info@limburghuis.nl,

of: agl@home.nl.