Oos Taal: aflevering 18

Ein vies plek in de lap

door Wim Kuipers - We zijn nog niet uitgeplakt. Ik wil eerst even opmerken dat eine plak als doek een doek is van de omvang van een handdoek of kleiner. Een woord als *zeilplak lijkt onmogelijk, of ook: de plak van de sirktent sjeurde.

Een verborgen doek heb je in de sjolk, een (vergeten?) woord voor schort. Aangenomen wordt dat de K een restant is van doek of dook, en het woord zou daarom een verkorting kunnen zijn van ‘schorteldoek’of ‘schortdoek’, waarbij schort = voorschoot: doek om een kledingstuk daaronder te beschermen, ook wel sjottel geheten. Vandaar de L van sjolk.

Het wordt nu langzamerhand ingewikkeld, maar het gaat om de rijkdom en mogelijkheden van oos Taal. Een lap grond is eine plak. Ons woord plak is tevens en veel vaker een of andere doek, zoals sjóttelsplak. Maar nou: als synoniem van de tesseplak (zakdoek) heb je ook eine sjnoeflap. Dat lap is evenals in het Nederlands een stuk stof. Er lijkt in veel gevallen geen onderscheid te zijn tussen –lap en –doek als tweede lid van een samenstelling, zoals bij ‘poetsdoek’. Of is een doek officieel netjes vierkant, gekocht, en een lap een afgescheurd stukje van een oud hemd? Maar laat ik daar niet over gaan zeveren, dan heb ik een zeiverlepke nodig.

Dat -lap kan natuurlijk ook figuurlijk zijn, zoals in eine zeiverlap van eine vent, of in het mooie vrechlap. Een woord dat heel wat Limburgser is dan sjnoeflap. Grapje voor de basisschool: wat is de vertaling van vrechlap? Antwoord: brutaaldoek.

Het Nederlands kent ook van die woorden met –lap, zoals smeerlap. Een echte smeerlap, dus geen viespeuk, maar een gemeen mens, daarvan werd wel eens gezegd: dae haet eine lap op de bóks. Niet om een vlek te bedekken natuurlijk. Wanneer had je een lap op je broek? Als er een gat in zat, omdat je een uitglijer gemaakt had. Het blad Onze Taal sprak onlangs van ‘grappige taaluitglijers’. Nou, die man met die lap heeft ook een uitglijer gemaakt, een vrij ernstige want de betekenis van die uitdrukking is: hij heeft in de gevangenis gezeten, in de petoet, perzoen, kotje.

Terug naar de plak. Hierboven staat: een vlek (op zijn broek). Goed Limburgs is hier plek: ein plek in de bóks. Het duo Plek en Plak zijn broers, zo niet een twee-eiige tweeling. Middelnederlanders konden ze niet uit mekaar houden: plek en placke betekenden allebei ‘plek’. In ’t Limburgs is er duidelijk onderscheid. Je kunt niet zeggen: de plak van het ongeluk. Ik denk verder dat het verre neven zijn van playa: een lap zand bij de zee.

En dan de laatste Nederlandse plak: een stukje gesneden worst of kaas of ontbijtkoek. Dat hoor ik in het Limburgs helaas meer en meer: een plakje kies of kees (kaas). Nooit gehoord: ei plekske. Ik denk dat de van huis uit Limburgs sprekende nog wel ergens in zijn grijze cellen heeft dat plekske een hoofddoekje is.

Maar we hebben een beter woord voor deze plak: sjiefke, met een korte /ie/. Sjiefke met langere /ie/ (sleeptoon) is een schijfje – een schijfje als een medaille, waar we in het Nederlands weer ‘plak’ tegen zeggen, als het om een sportmedaille gaat. Daar hadden we natuurlijk sjief voor moeten hebben. Helaas: de Limburgse taal wordt niet gemáákt, alleen beschreven, door doctorandussen die zelf geen woord schrijven, en vrijwel nooit op straat komen. Bijvoorbeeld omdat ze vanuit Nijmegen, Leuven of nog verder weg opereren.

Maar wat moet je eraan doen? Ik kan wel roepen: blief kómkómmerte in sjiefkes sjnieje, wie zal reageren? En toch …

 

Volgende keer: Plare mit de flaermoes.

 

Reacties naar: info@limburghuis.nl,

of: agl@home.nl.