Aflevering 11 - 020501.

Mets aafloekse in de frieteboet

Er stond nog een woord op de wachtlijst dat om behandeling vroeg: foetse - volgens de woordenboeken van Echt en Susteren: hard slaan met de vuist. Maar niemand heeft zich gemeld - misschien is het wel een vondelingetje, dat foetse.

Harie Gregoire uit Maastricht belde dat hij wel fótsje kent, of misschien foetsje, want hij heeft op zoveel verschillende plaatsen gewoond, dat hij twijfelt over de juiste uitspraak. Het betekent: foetele, vals spelen. Ik ken dat als foesje en foesjele, en er zullen meer vormen zijn - euver de päöl vind je fusche en futsche - met een T, zoals die van Gregoire.

Ik denk dat foesje sterker is dan vals spelen. Het woordenboek van Roermond zegt zelfs: frauderen. In Heerlen zou dat foetele zijn, foesje daartentegen: ritselen. Min of meer het omgekeerde dus, maar als dit al juist is (Kerkrade meldt voor foetele weer: vals spelen, vooral bij kaarten en knikkeren), dan is het beperkt tot een klein gebied. Voor de laatste maal naar foetse. Laten we maar veronderstellen dat bij de foeteleers van Nuujsjtad (Nieuwstadt, vlak bij Susteren) een paar duchtige foesjers zaten, zodat wel eens heel hard op de kaarttafel geslagen werd - en dat zo foetse als 'hard slaan' in een paar woordenboeken gekomen is. Misverstand misschien - of is er een andere verklaring?

Boskat aftroggelen

Ik ben ook nog niet helemaal uitgekoeteld. In het woordenboek van Kerkrade staat dat foetele vooral bij kaarten en knikkeren gebruikt wordt. Ineens viel me een ander woord in: aafloekse. Het woordenboek van Remunj definieert: op een behendige manier aftroggelen. Dat van Echt zegt gewoon: aftroggelen, en dezelfde betekenis zou aafkoetele hebben. Klopt dat? Hebben we hier te maken met een min of meer gedwongen of onvoordelig ruilen (koetele)? Of zijn ook hier wat woorden door elkaar gelopen? Het woordenboek van Roermond heeft aafnoegkele als synoniem voor aafloekse. Nooit gehoord, maar het woord is wel op te sporen in het WNT. Daar vind ik als een van de betekenissen van het nauwelijks voorkomende woord nokken: om iets bedelen, azen op iets. Als citaat staat er: gaan nokken om wat broods.

Ons 'afnokken' heeft daar niets mee te maken. Dat stamt hoogstwaarschijnlijk van het Engelse to knock off: ophouden met werken, vertrekken.

Allei: ik vrees dat aafnoegkele niet meer te redden is, dus als het prachtige woord aafloekse blijft (zet hem op), wil ik die andere vergeten. Tussen haakjes: het woordenboek van Susteren spelt aaflóksje, maar die J lijkt me niet terecht. In dat van Dremmen, biej Zöstere euver de päöl, staat aaflukse, zonder J. Het officiële Duits kent ook abluchsen, aftroggelen en ontfutselen (van een geheim bijvoorbeeld), en dan zien we de herkomst: het stamt van het werkwoord luchsen, loeren, loeren als een Luchs, dus: goed oppassen, als een lynx of (Nederlands) los. Die moet loeren op een prooi. Bij het woord Luchs mag je rustig denken aan het latijnse lux, licht (denk aan lux perpetua, het eeuwige licht), aan de fonkelende barnsteengele

ogen van de grote boskat Luchs. Amai: waarom leren kinderen zo'n woord niet op school, plaats allerlei kwatsj?

Inkeman in de boet

Omdat jouw woorden van grootjes oma kwatsj zijn - kreeg ik te horen. Niet voor het eerst. Ik denk wel dat dat een denkfout is. Vaak wordt dan gedacht aan voorwerpen die er niet meer zijn, alleen nog in musea. Ik noem de inkeman (er zijn andere spellingen: een dubbel etensketeltje, om de zwoegers op het veld tussen de middag hun eten te brengen), maar wat is er mis met aafloekse? Als de meeste mensen dat woord niet (meer) kennen, is het daarmee ouderwets? Misschien - maar je kunt ook zeggen: minder gebruikelijk.

Tweede misverstand is dat alleen de dialecten woorden verliezen. Uit het Nederlands verdwijnen misschien nog meer woorden. Een woord als boet bijvoorbeeld, voor een (beetje) armzalig, bouwvallig huis: dat hoef je in Rotterdam of Apeldoorn niet te gebruiken, denk ik. En niet omdat het helemaal Limburgs is - integendeel: het kwam in half Nederland voor, en haalde zelfs - zo zag ik toen ik iets over het boeddhisme op wilde zoeken - de Grote Winkler Prins, als boede.

Boetenieje

Deze encyclopedie en v. Dale hebben het vooral over keet, bergplaats voor hout, kolen of stro, ook een vrijstaande schuur. In Limburg is het meestal een huis, zij het geen al te best. Maar wij hebben het woord wel bewaard. Sterker nog: het is bij de tijd gebleven, want hoe vaak hoor je niet over eine frieteboet? Het woordenboek van Roermond spelt overigens boed, maar geeft geen meervoud, zodat die D duidelijker zou worden. Jo Cobben - van het woordenboek van Elsloo, die heel goed geluisterd heeft - zegt dat het meervoud boete is, en ook ik ben geneigd van frieteboete te spreken niet *boeden, al is het verwante Duitse woord Bude.

Een interessant woord dat ik een centimeter verder in het woordenboek van Susteren vond is boetenieje. Dat zijn afgelegen gehuchten, en als je dan aan kleinere huizen denkt, schiet het woord boet je misschien te binnen, al komt dit woord ongetwijfeld van 'buiten': buiten het eigenlijke dorp gelegen - vergelijk buitengewesten.

Kaoje keeper

Ook weer wat vragen over de spelling gehad, naar aanleiding van kaot en koad (kwaad). We moeten helder en consequent (gaan) spellen, vind ik. Maar u moet zich ook eens over merkwaardigheden van de Nederlandse spelling buigen. De /ie/ wordt op nogal wat manieren gespeld. Zie maar: gieter, liter, bijzonder, baby, keeper, dealer. We hebben hier weliswaar drie oorspronkelijk Engelse woorden, maar die zijn totaal ingeburgerd. En als u in dealer geen /ie/ meent te horen: het is de ietwat langere /ie/ van onze viel (vijl).

En wat denkt u van ieder en idee?

Sjreur Metsemakers

Een andere vraag was of ik spelling onbelangrijk vind.

Eigenlijk wel. Het gaat me allereerst om de taal - ons Limburgs. Om woorden, uitdrukkingen en constructies die afwijken van het Nederlands. Of ik sjlaop zeg of sloap, dat is een uitspraakverschil. Die verschillen in uitspraak - ik heb het daar al eens over gehad - zullen wel blijven. Maar we moeten voorkomen dat straks onze eigen woorden alleen nog in woordenboeken en namen bewaard zijn, als alle sjnieders kleiermaeker heten. Over het woord sjreur voor kleermaker kan ik het nu al nauwelijks meer hebben. Mijn vrees is dat die mooie woorden straks alleen nog voorkomen in de namen Snieders en Schreurs. En als we met zijn allen van mes en vork praten, verschijnen er stukjes over de naam Metsemakers, en daarin staat dat 'mes' vroeger in het Limburgs mets was, meervoud metser. Een eigen woord, want Nederlands en Duits hebben die T niet.