Aflevering 08 - 070301

Asseker koetelt zich in de roesj

Ja - en helaas misschien: de vastelaovendj is al een week wijlen. Ik kan er niet meer met goed fatsoen op terugkomen. Hoewel: wat zegt de vasten ons moderne verwende mensen nog?

Och: als we maar Asselegoonsdig blijven zeggen - maar helaas II: ook dat hoor je minder, het is Aswoonsdaag geworden. Gewoon een vertaling van het Nederlandse woord. Driewerf jammer. Het is zo'n prachtig woord. Alleen al dat assele: of je iets van je af moet sjöddele.

Ik ga geen poging doen het precieze ontstaan van dat woord te verklaren, maar het zou me niet hevig verbazen als dat assele ooit het meervoud van as geweest is, toen as nog assche was. Oudere lezers zullen zich dat woord uit het missaal herinneren. In het Middelnederlands kom je de vorm Asschelenwoensdag al tegen.

Er is een verder argument voor het woord asse als enkelvoud. Correct Limburgs is namelijk assebak. Daar doen we as in, geen assen.

Vroeger, toen vuilnis voor het grootste deel bestond uit sintels en poederachtige as uit de kachel(s), kwam elke week de asseker langs. Maar wat moeten we ermee? In het nieuwe woordenboek van Heerlen (van Veldeke) zie ik esjbak en esjgoonsdig, naast essjekrütske.

Wodan te krom

We moeten nog even bij de katholieke kerk blijven. De /g/ van goonsdig wijkt nogal af van woensdag en het Engelse wednesday. Hoe zit dat?

Nou: er gaat een hardnekkig verhaal, en laten we maar aannemen dat dit juist is, dat het enkele geestelijken, misschien wel een bisschop, stoorde dat de woensdag genoemd is naar de Germaanse - dus heidense - oppergod Wodan. Dus die /w/ moest geheiligd worden.

Verder was er nog de Krómme Goonsdig, de woensdag in de Goede Week, zo genoemd omdat de veroordeling van Jesus maar krom gevonden werd. Het woord króm(p) is (was) vaak negatief, hoewel mijn vader altijd placht te vergoelijken: op ein króm riej wasse meer aerpel. Allei: laten we die /g/ van goonsdig vasthouden tot de laatste HH Sacramenten.

Gode(n)sdag

Over de G van goonsdig (woensdag) kreeg ik een paar mooie reacties. Gilles Jaspers, de man van het nieuwe woordenboek van Gronsveld, wijst op het Middelnederlandse gode(n)sdag, ook goensdag. Duidelijk, maar: je mag hier natuurlijk ook aan allerlei heidense goden denken. Niet iedereen accepteert daarom die verklaring.

Laat ik eerst citeren wat het Woordenboek Nederlandsche Taal (voortaan WNT) daar vrij recent over zegt: "Bij de vormen met G kan men denken aan geleerd-romanische vormen, of eerder aan een middel om aan de naam het heidens karakter te ontnemen." Een lichte voorkeur derhalve voor mijn verklaring.

Heidens Woensel

Aan de andere kant zit mevrouw Janny Coenen-van Bussel uit Maasbracht, een geboren Brabantse, mailt ze, maar geboeid door de Limburgse taal. Ze heeft weet van "een tweede G die geen W mocht zijn", formuleert ze pakkend. In 1107 verschijnt de plaatsnaam Woensel (deel van Eindhoven) met een G: altare de Gunsela. Als verklaring vond ze: "de G-vormen zijn een gevolg van een taboe op het gebruik van de naam Wodan." Woensel zou namelijk betekenen: bos met Wodans erin. Ook dat bos moest geheiligd worden.

Dat vindt ze maar een vreemd verhaal. We kunnen daar natuurlijk niet uitgebreid op ingaan - het moet genoeg zijn dat deskundigen (ook bij Woensdrecht) niet aan Wodan willen denken, maar aan een persoonsnaam, Wodo bijvoorbeeld: het (weide)bos van Wodo.

Mevrouw Coenen sluit zich aan bij de opmerking van "geleerd-romanische" vormen. Ze zegt dat de van oorsprong Germaanse naam Wilhelmus (Wil-helm, helm = bedekker) vaak opgetekend werd als Guilielmus, "en evenzo had je Waltherus-Gualtherus" - met andere woorden: een W veranderde in G, "omdat het Latijn de letter W niet kende", zegt ze.

Wilje toesj

Ik mopperde dat we het woord toesje niet moeten toesje voor het Hollandse rule. Makkelijk gezegd. Maar hoor: liedjes kunnen woorden vasthouden, en Chel Savelkoul zingt zo mooi over zijn Beech (Grevenbicht): Heur ich de Maas weer roesje / wil ich mit nemes toesje. Misschien moet ik voor lezers in Midden- en Noord-Limburg opmerken dat Grevenbicht aan de Grensmaas ligt, die zich vaak tussen stenen door de weg naar zee moet zoeken, en dan duidelijk aan het roesje is.

Schallende tusch

Toesje was ook slaan - staat in enkele woordenboeken. Maar: dan is het met een korte /oe/, zegt dichteres Toos Schoenmakers, geboren in Postert. "Oos mam zag dök taenge ós: Wach dich, dalik kriesse d'r ein getoesj."

Als zelfstandig naamwoord was het een soort scheldwoord, want meisjes werden wel aangesproken met doe nutte toesj, herinnert Toos zich. En op mijn gesproken post vertelde een zo te horen oudere vrouw uit Landgraaf dat zij de uitdrukking eine wilje toesj kende: een wildebras.

Als ik dit zo in me opneem: d'r eine getoesj kriege, wildebras - tada, tada ..., dan moet ik denken aan een tusch - zoals het Woordenboek Nederlandsche Taal schrijft, schallend, fanfaarderig geluid. We hebben al zoveel woorden voor slaan, maar dit toesje vind ik zo mooi, dat ik er elke maand een tusch voor wil geven. Moeten we nu tusch schrijven, naar het Duitse Tusch? Meestal zie je trouwens touche, Frans voor onder meer aanraking, en daarom hou ik het voorlopig op toesj.

Zöstere verkoeteld

Ik had verder gevraagd wie het woord foets(j)e nog kende - ongeveer dezelfde betekenis als dat toesje, althans volgens het woordenboek van Susteren: hard slaan met de vuist. Daar heb ik (nog) geen antwoord op ontvangen. Te druk gehad mit 't pekske of is met dit woord wat gefoesjeld, zal ik maar voorzichtig zeggen.

Dan had ik beloofd het te zullen hebben over "waarom hier en daar ruilen koetele is." Geen toesje - koetele, zo willen de gezaghebbende boeken van Venlo, Tegelen (hoewel dat tevens toesje heeft) en Echt - en ik had het nooit gehoord, in Remunj. Daar wordt getoesj. In Susteren is koetele kwanselen. Zou dat daar nog te horen zijn, dat de politiek Zöstere aan Echt verkoeteld heeft?

Foetele

Prangende vraag: hoe komt zoiets? Geen idee - daarom verzin ik maar wat. Het woordenboek van Venlo spelt koètele. Erboven staat koète: puin, afkomstig van (elders zo gespeld) koeët of koot: steen. Denk nu aan het vingerkootje, dat ooit - zeggen woordenboeken, als knikker gebruikt werd. Weet verder dat de Limburgse woordenboeken vaak als voorbeeld geven dat er gekoeteld werd met knikkers, neem aan dat er daarbij wat gefoeteld werd, en het zou kunnen zijn dat toesje via de koèt en wat foetele koetele werd.

Nee: zo werkt dat niet, al is er vaak verwarring bij zulke woorden. In Nijmegen hoorden mijn kinderen dat daar ons foetele stechele was. Tja: die woorden liggen kwa (woordenboek Heerlen) betekenis heel wat dichter bij elkaar. En als je in bed dicht bij elkaar ligt, dan kun je je lekker koetele of koete, zeggen ze in Neer. Koetele is ook daar ruilen, zodat je er in de koet koetele kunt van plaats - waat is oos Taal riek, die mót nao de beurs.