Oos Taal - aflevering 05 - 10 januari 2001

Peekvriejers op het Hwagveldj

Een nieuw jaar - 2001. En gegarandeerd een nieuwe eeuw. Wat zal er nog over zijn van oos Taal in pakweg 2089?
Niet zo heel veel - vreest Jo Stoffels (70) uit Blerick. Hij was de eerste die belde wat pitbrök waren. "Die waren sjrikkelik zeut, mit aolieneutjes", zei hij.
Sinterklaas had die pitbrök in de aflevering over lekker en sjlók gesmeten. Ik wijs er even op dat dat gesmeten wel een Limburgisme zal zijn: bie ós sjmiet Sinterklaos, elders strooit hij.

Ik kende het woord pitbrök nog, maar wist niet meer precies wat dit voor snoepgoed was. Hetzelfde als joedevèt misschien, "met druivensuiker bereid snoepgoed", zegt het woordenboek van Roermond. Ik wees nog op kaereblök: snoep van druivensuiker en veel aolieneutjes oftewel pinda's, leert het Echter woordenboek.

Vervolgens belde een vrouw die de pitbrök bij mijn tante kocht. Het was hiel hel tuug zei ze, hard spul, met daarop apeneutjes. Ook al pinda's. Zij dacht dat het veerkentjige brokken waren, Stoffels meent dat je die brök ook in tabletvorm (repen) kon krijgen - en toen belde een man die er jarenlang in gehandeld heeft: Lei Lemmens uit Vaosje oftewel Vaesrade.

Druivensuiker
Pitbrök bestaan uit druivensuiker met daarin apeneutjes, en die brokken zijn inderdaad keihard, daar moest je op loetsje, zegt Lemmens. Ze werden op een plaat met vakjes erin gebakken, waardoor je vierkante blokjes kreeg. Blokjes: in het woordenboek van Echt staat - zoals we al gezien hebbeb: kaereblök - snoep van druivensuiker en veel olienootjes. We hebben hier dus te maken met twee woorden voor dezelfde sjlók. Kaer en pit zijn synoniemen - kaere zijn de pitjes van vruchten als appels, peren en druiven. Een kersenpit daarentegen is in het Limburgs eine sjtein. Het woord kaer betekent kern, pit, Engels core. Je leest tegenwoordig vaak over de core-business: kernactiviteit. Iemand kan rót wies op de kaer genoemd worden: tot in zijn binnenste.

Peekvriejers
De houten pin van een wijnvat bracht me vorige keer op het nieuwe werkwoord pinne, en vervolgens liet ik u met de piek of peek zitten - die nu wel opgeborgen zal zijn. Je vindt de piek nog in het werkwoord pieken of pikken, dat steken betekent. Denk aan de uitdrukking de pik op iemand hebben, die in verschillende Limburgse woordenboeken staat. Waarom schrijven we dan niet: de peek höbbe op ...?
Ik vond die betekenis verder in een Vlaams woord, dat in het Limburgse misschien ook wel gebruikt is. Aangepast luidt dat: peekvriejers. Dat zijn mannen die om hetzelfde meisje strijden, en daarom de pik hebben op elkaar.

Een intrigerend woord voor een liedje - lijkt me.

Vaste medewerksters Toos Lamers kwam - naar aanleiding van al dat gepin nog met het woord pinvól. Een mooi woord. Het zal uit de tijd van de houten emmers stammen. In zo'n eimer of top sloeg men bovenaan een pin, om aan te geven hoeveel liter er daar (bij die pin) in zat. Laten we dat in sjaopsnaam dat pinvól weer gaan gebruiken plaats tjokvól.

Kwaaie kei
Ik zou het graag anders willen, maar de spelling van onze woorden blijft veel mensen bezig houden (en ergeren vrees ik). Een lezer uit Gebrook (Hoensbroek) belde dat ik sjaop schrijf, maar dat hij dat als sjoap uitspreekt. Mij bekend, maar de weergave /oa/ is ook maar een poging om die klank weer te geven. Het is iets als de /o/ van sjop met een stomme /e/ of een /a/ als naslag, maar dan ingewikkelder. Het Kerkraads heeft beide spelwijzen. Kaod is koud, koad daarentegen betekent kwaad (boos) of: (een) koord.

In het woordenboek van Echt wordt deze /ao/ weergegeven met een /w/ voor de /ao/, zoals in kwaot: koot, vingerkootje maar ook "onregelmatig stuk steen", eine koot of - in het Nederlands dan - koet.

Echter kwaad (boos of: iets verkeerds) heeft kennelijk een andere /ao/ dan in Kerkrade, want Echt spelt kwaod, met een /d/, om niet in de war te komen met een kwaaie kei misschien. Maar hoe je ook spelt en spreekt: het gaat om de /ao/ van controle, niet om een /a/ of /o, en het is beter om dan voor één spelling te kiezen. Iemand die Limburgs wil leren wordt anders opgezadeld met lijstjes /oa/ en lijstjes met ao-woorden.

En dat natuurlijk ook nog per streek. Kom nou.

Even puzzelen
Ja - dat kan ik hier wel schrijven, maar Ton Valkenburg uit Maasbracht vraagt zich af of het ontbreken van (enige) eenheid in spelling niet de charme van het Limburgs zou zijn.
Moeilijk om op te antwoorden. Een natuurlijk gegroeid loofbos is interessanter dan dennenakkers of kaarsrecht geplante populieren, maar als je er niet doorheen kunt, wat dan? Zo zijn er stukken proza verschenen in een of andere plaatstaal waar je nauwelijks doorheen kunt komen. Voor wie van puzzels houdt: in Meerssen is er een basisschool die (zie telefoonboek 50, pag. 109) Op 't Hwagveld heet: op het hoge veld dus (Hoogveld). Hoog wordt dan ongeveer uitgesproken als /hoeag/. Wat heeft het voor zin dan HWAG te spellen, met die onbegrijpelijke Echter W?

Huilboeken
Valkenburg reageert op mijn spelling päöl - of ook wel päol. Deze spelling wordt gebezigd omdat je zo ziet dat het om het meervoud van paol gaat. Maar het is dezelfde klank als in väöl, zegt Valkenburg, het Nederlandse woord 'veel'. Hij schrijft daarom liever veül.
Die spelling met /eu/ is wel hardnekkig. Onlangs schreef de uit Belfeld afkomstige hoogleraar Marita Mathijsen over beukbeuk. Een vrouw vroeg daar vroeger altijd naar: boeken die haar lieten snotteren. Dus: bäökbeuk. Mathijsen verklaarde de uitspraak zo: "met de lange /eu/ van beurre in de eerste lettergreep" - beurre is het Franse woord voor boter. Ze moet als hoogleraar Nederlandse letterkunde toch wel weten dat een lange /eu/ eigenlijk onzin is. Je kunt de /eu/ nog zo lang rekken, het blijft een /eu/, en wordt geen /äö/. De /eu/ is namelijk de gerekte /u/: als je de /u/ van het woord put rekt, krijg je peut - petroleum.

Zeedorens
Waarom de voor het Limburgs zo typische /äö/ hardnekkig als een of andere /eu/ gezien wordt, weet ik niet. Invloed van het Franse freule? Of omdat veel hier en daar uitgesproken wordt als veul?
Het kan nog ingewikkelder, want Valkenburg houdt het niet bij de /eu/. Hij vindt däör de "vertaling" van het Nederlandse dorens, en zou je dan niet "vanwege de letter /o/ döär moeten spellen?", vraagt hij zich af.
Misverstand, want waarom zou ooit iemand in wat nu Limburg heet het Nederlandse dorens vertaald hebben? Dat woord is gegarandeerd hier eerder te horen geweest dan in het moeras bij de Noordzee, waar weinig struiken met dorens groeiden.