Aflevering 10 - 110401.

Wach dich veur dae koetjóng

Waar ben ik mee begonnen? Dat lijkt een verzuchting - en inderdaad: het woord koet in het Limburgs, dao kan me zich mit sjörge - mee worstelen. Probleempje één: moeten we het Venlose koeèt voor koot (stuk steen, kluit) ook behandelen?

Nee - denk ik: een uitspraakvariant van het meer gebruikte koot.

Dan is in een deel van Limburg 'kuit' koet - elders kuut. Niet alleen de kuit van het been, maar ook die van vissen. Hier en daar wordt die nog onderscheiden in mannelijke en vrouwelijke kuit, en die laatste heeft het schitterende woord gridzelkoet opgeleverd - hetzelfde als krelkeskuut, en die kraaltjes zijn de eieren. Maar die woorden zullen geen blijvertjes zijn, want wie maakt zelf nog haring schoon?

Af en toe lees je dat iemand koet is: kwaad.

Ja maar - roept dan iemand: dat moet je als /koed/ spellen. Omdat het Nederlands die D heeft? Is het dan eine koede kaerel soms?

Natuurlijk niet - dat wordt koeje, kaoje. Ik vind koede noch koete - wel verwarring. Het woordenboek van Elsloo spelt kaot, dat van Heerlen koad voor 'kwaad' - wat moet ik daar allemaal mee?

Kwaad of snot

Het WNT (weet u nog: Woordenboek der Nederlandsche Taal) kent twee woorden koet, die bij ons niet voorkomen, zover ik weet. Allereerst een watervogel (meerkoet), en dan het Antwerpse woord voor: bang of laf persoon: een koet.

Bang, dus geine koetjóng of kootjongen - zoals het WNT spelt: kwajongen, bengel, en dat is "mogelijk een Brabants-Limburgse vorm van kwaad" - koed dus, zegt het WNT en half Maastricht.

Iedereen mag dat aannemen, op gezag van het grootste woordenboek ter wereld. Maar het Limburgs is door de makers daarvan nauwelijks bekeken, zeker niet voor de Tweede Wereldoorlog, en toen is het deel met de kootjongen samengesteld.

Erg duidelijk mag deze veronderstelling ook niet heten. Het WNT verwijst namelijk naar Jongeneel - maker van het woordenboek van Heerlen uit 1884. Die heeft echter koad voor kwaad (met de vorm koader: vergrotende trap), en de toevoeging: M koet - wat betekent: in het Maastrichts koet, met een T.

Dit zegt natuurlijk niet veel. Wie de bladzij omslaat vindt koeteprie: snotjongen, van koet = snot. Heel wat anders?

Misschien - maar verschilt een snotjongen zoveel van een bengel? Ik doe geen uitspraak, maar ik denk dat ik het Maastrichtse koet voor 'kwaad' maar vergeet: dat is te uitzonderlijk.

Koetebremser

Theodoor Dorren, de maker van het woordenboek van Valkenburg, zat meer dan tachtig jaar geleden al met deze kwestie. Hij noteerde bij koijong: evenals bij de woorden met k o e t is hier eerder verband te zoeken met kaat, koit = stront, dan met 'kwaad'. Hij heeft koetjong, koetlemmel en koetnelles voor snotjongen, en we concluderen: koet is snot, neusvuil (zo meldt ook het woordenboek van Susteren), en ook nog mest. Ik verwijs nog naar het Duitse Kot: uitwerpselen, kak, en besluit dit gekoet maar met een fraai woord uit het Heerlense: koetebremser.

Denk daar eens even over na. Hulpje: bremsen is remmen, en kijk eventueel beneden voor de oplossing.

Hersekoet

We komen nu bij de koet van een paar afleveringen geleden, die van koetele. Een kuil - heb ik gezegd. Een lekkere ligkuil in bed, maar ook voor kippen.

Leeuwen (gem. Roermond) ligt vlak bij de Maas. Toch vind je er een hoge zandrug - duizenden jaren geleden opgewaaid. Daar kan de Maas nooit komen. Ga je vandaar richting Asselt, dan moet je naar beneden, en hoe heet het daar? Juist: de Koet.

Een prachtig woord is hersekoet. Moeilijker misschien dan de koetebremser. Het is de kuiltje in een pannenkoek waar het spek gezeten heeft. Blijven gebruiken: een 'plak' spek is eine hers.

In Maaseik betekent koet ook: gat. Het woordenboek van Hasselt heeft nogal wat voorbeelden daarvan: gat in broek, hoofd, je springt er een koet in de lucht, of hebt zo'n ding in je ontwikkeling, opvoeding. Opmerkelijk: koet is ook het doel bij voetballen. Supporters riepen tegen de keeper: eur koet oet. Ik hoorde vroeger: sjeet in det gaat, tienes.

Zich wachte veur

Ik wil nog even op een woord van Toos Schoenmakers wijzen, dat die gebruikte in haar voorbeeld van toesje voor slaan: Wach dich, dan kriesse d'r ein getoesj.

Het gaat me om dat wach dich: pas op, ben op je hoede, een woord dat we in het Nederlands alleen op (oude) bordjes nog aantreffen: wacht u voor de hond. Wij gaan dus weer zeggen: dao wach ich mich veur.

Trix van de Berg, geboren en nog wonend in Nieuwstadt, stuurde ons voor 't Wirkes (zie www.limburghuis.nl) een kleine verzameling laten we zeggen opvoedkundige gezegdes die ze van haar moeder hoorde. Hier zat bij: höbste gein menere gelierd, wach - ich bring ze dich biej.

De Limburgse woordenboeken besteden niet veel aandacht aan dit woord. Niet opvallend genoeg? Het valt namelijk op dat de meeste samenstellers van woordenboeken kleine, algemeen bekende woorden behandelen als kleine kinderen vroeger: die tellen niet mee - koetjungskes. Ik heb het dan over voegwoorden, voorzetsels, bijwoorden ook. Voor een deel is dat gemis begrijpelijk. Waarom zou je het voorzetsel in op moeten nemen? De betekenis is duidelijk, en het zal wel op precies dezelfde manier gebruikt worden als 'in' in het Nederlands, zal geredeneerd zijn.

Meestal wel. Maar er zijn uitzonderingen. Zo wordt nog steeds verteld dat katholieken "op de eerste plaats" zeggen, en niet-katholieken "in de eerste plaats" (dat lijkt ietwat op het Frans: en premier lieu), maar aangezien katholieken vooral in het zuiden wonen, is de conclusie gauw getrokken: alleen in is correct Nederlands.

Op sjoelbakken

Hoe het momenteel is met de spotterij als je in het Hollandse meedeelt dat je moeder op het ziekenhuis ligt ("dan zal ze het koud hebben - vervelend met die regen"), weet ik niet - misschien wordt dit minder. We mogen misschien al "op vakantie" gaan - Hollanders gaan met vakantie, en wee als je zegt: waar neem je die vakantie mee naar toe? Intussen zijn rariteiten ingeslopen als: "hij is op sjoelbakken" en "Sharon is op Patrick" - maar dat zullen we barmhartig accepteren.

Mijn moeder gebruikte meestal den voor het voegwoord want, maar ook dit boeiende woord kan ik nauwelijks vinden. Het nieuwe woordenboek van Heerlen heeft wel 'wanneer', maar bij 'want' staat alleen vermeld hösj. Interessant woord, want handschoen is häösj - wat langer dus. Allez - op die boeiende kleine woorden kom ik nog wel eens terug, zoals wie: hoe, toen en als.

Ik moet nog vertellen wat een koetebremser is. Een snor: die houdt de koete tegen.