Aflevering 04 - 20-12-2000

Krismes: over bul, piek en pinne

Geen idee of het nog lintjet als u dit leest. Lintjet: zelf verzonnen, maar het klinkt opperbest - zoals: het wintert al. Het woord *lenten echter kan ik niet vinden, zoals je wel zomeren hebt, het al genoemde winteren en ook herfsten: het herfst in de kastanjelaren.
Maar officieel vertelt de kalender dat het de donkere dagen voor Kerstmis zijn.
Kerstmis. Korsmes op veel plaatsen in Limburg, en in - zoals we nu moeten zeggen - Parkstad Limburg zegt men over het algemeen Krismes. Daar zetten ze een krisbeumsje in de tsimmer, en daarop prijkt - in heel Limburg zowat - eine peek.

Geen bijzonder woord: een variant van het Nederlandse piek. Maar wanneer je alle mogelijke pieken en ermee verwante pikken bekijkt, zie je dat het Limburgs nogal wat eigen woorden en betekenisverschillen heeft. Een pi(e)khouweel is ten onzent onder meer bikgel, bikkel of gewoon bik - maar wel met een /b/.

Steken en pieken

Vervolgens krijg je een verzameling betekenissen (ik heb het nog steeds over de woorden piek en pik, die overigens niet helemaal identiek zijn), die het Woordenboek der Nederlandsche Taal karakteriseert met "al wat steekt of piekt."
Dat zijn er heel wat. Merkwaardig daarom dat het nieuwe woordenboek van het Gronsvelds het woord piek niet heeft. Wel het werkwoord pikvogele: met een vogelpik op een schijf gooien, vandaag de moderne dag darten geheten. Die pik is uiteraard ook een scherp voorwerp (piek), zoals de pikhaok, in het Nederlands mathaak genoemd. In het westelijk deel van Vlaams Limburg wordt de zich(t) zelfs pik genoemd. Om het nog ingewikkelder te maken: in delen van Midden-Limburg heet de pikhaok pik. Verwarrend, maar laten we al dat gereedschap rustig roesten in onze oudheidkamers: het wordt niet meer gebruikt.

Waspikskes

Het woord pik komt van het werkwoord pikken (ook wel pieken), dat steken betekent. Die trui pikt me - hoor ik vaak. Sjoen. Het Nederlands gebruikt hier prikken, maar dat woord betekent in driekwart van Limburg: opvangen. Eine bal prikke, en: kaatse taenge de moer mit eine prikkebal - jazeker. Maar ook: jezelf opvangen als je valt.
In de woordenboeken van Valkenburg en Echt staat als tweede betekenis van prikke: iets heimelijk wegnemen. Citaat uit dat van Echt: dao mót zich eine die sent oet de laaj geprik höbbe. Dat is waarschijnlijk het Engelse to prig - gappen, jatten.

Maar we hadden het over pikke - steken. Die betekenis heeft een mooi woord opgeleverd, dat vooral in Helden en omgeving te horen valt: waspikske voor wasknieper: det pik lievend aan d'n draod.

Beugele mit Bulgaren

We zijn afgedwaald, van de peek naar pikskes. Terug naar de boom dus. Onder de piek hangen de ballen (geen bijgedachten estebleef) - en die ballen hebben langzamerhand een andere klank gekregen. Niet dat ze nu Thais klinken of Koreaans (want daar ergens zullen ze wel gemaakt worden), nee: ik hoorde vroeger alleen maar van bul spreken: korsbul, zoals je het nog hebt over lekker bulkes in de soep en eine ból gare. Even een stokoud grapje. In de Eerste Wereldoorlog werd in Roermond verteld: wij krijgen ook oorlog, de Bulgare zien al in de sjtad. Vroeg iemand: waar dan?, dan was het antwoord: "Bie Dumarteau in de etalaasj." Bul sjtrikgare dus. De bul(kes) in soep en kerstboom zijn inmiddels vernederlandst. Jammer.

We hebben echter meer. Beugelen is een echt Limburgse sport (ook Oost-Brabant, zeker), en daar zal op de baan nog wel van (eine) ból en bul gesproken worden. Maar gaat ook hier de bal winnen?

Sjtumpke rok

Wie trouwens zou het in het officiële Limburgs moeten winnen: de bul of böl? Ik bedoel: je vindt in de woordenboeken twee spellingen voor ongeveer dezelfde klank - dat is niet handig. Ik denk dat bij de /ö/ de /o/ van bol hoort, zoals je hebt: rok-rök. Maar je hebt sjtómp-sjtumpkes, pómp-pumpke - denk ik maar als Midden-Limburger. Of kent iemand een kaffee die 't Pömpke heet? Ik bedoel: als je hier duidelijk onderscheid gaat maken, wordt spellen geen manier van neerschrijven van je eigen uitspraak, maar komt er enig systeem.

Een piek pinne(n)

Een piek heeft ook de betekenis van een gulden. Waarom is niet honderd procent duidelijk, maar er waren vroeger munten waarop de Hollandse Maagd prijkte met een lans in haar hand, als een voorbode misschien van Dolle Mina. Zo'n lans heeft als topje een piek, in elk geval: een puntig voorwerp. Een pin?
Makkelijk gezegd. Dan zou ik - iemand - het juiste verschil tussen het duo piek-pik en de vreemdeling pin moeten beschrijven. Probeersel: een piek staat bovenop wat dan ook, een pin gaat ergens in. Mooie uitdrukking: de pin d'rin houwe - ermee ophouden. Er zijn meer verklaringen voor, maar laten we zeggen: je haalt de (houten) pin uit een vat wijn, het kostelijke vocht vloeit in een kan - dan sla je die pin er weer in: uit met de pret.

Sjinne en poejakke

We gebruiken allewiel het woord pinnen zeker wekelijks. Een werkwoord gemaakt van het (Engelse) letterwoord PIN: (vertaald) Persoonlijk Identificatie Nummer - een eigen (geheim) nummer om je te identificeren, bij een bank bijvoorbeeld.
Pinne(n) is nu: geld uit een automaat halen of betalen met de pinpas. Dat gaat razend snel, en dan is het grappig te weten dat pinne volgens enkele Limburgse woordenboeken zwoegen betekent, of keihard werken. Dat staat ook in het WNT, en als verklaring lees ik dat paarden die hard moesten trekken - riete of ziege - de punt van hun hoefijzers in de grond zetten, om meer haajvas te krijgen.

Wat ver gezocht misschien, maar wat ik ooit gemeld kreeg van auteur Sjaak Linssen uit Maasbracht, dat gaat er ook bepaald niet in als een pin. Hij dacht dat ons pinne komt van het snijden van pinkes in de gevangenis. Dat waren witte stokjes - prikkers zouden we nu zeggen, maar wat kleiner, aan een kant spits, waarmee je zolen onder klompen bevestigde. Die pinkes werden gemaakt door gevangenen, en dat zou zwaar werk zijn, meende Linssen. Eerder vervelend, denk ik. Bovendien zal het woord pinne wel bestaan hebben voor kaerels in 't kotje (prisoen) pinkes moesten maken.

Nou ja, ik ben niet zo op dat pinne gepind, want er zijn genoeg andere woorden voor hard werken: aezele, buttele, kneure, maore, morkse, poejakke, wule, wörge, en een heel mooi: sjinne.
Doe er voor mijn part pinne bij, maar liever bewaar ik de uitdrukking pin make of lieje: hevige kou lijden, als je buiten moet werken en het vriest sjtein oet de gróndj.

Allei, dat komt misschien nog. Intussen: ei good en gezaengeld nuuj jaor.