Aflevering 02 - 22-11-2000

Dikke v. Dale niet in de buut

Tadaah, tadaah: buut voor de vastelaovend. De elfde van de elfde is al geweest, Maastricht heeft zijn nieuwe liedje, en deze week begint de kamp wie de beste buut van 2001 heeft. Buut: dat woord is in heel Limburg bekend, daarbuiten nauwelijks. Is het daarom een dialectwoord?

Ik vind van niet. Want wat is dan het Nederlandse woord voor buut? Brabant heeft het daar al moeilijk mee. De man in de ton heet er - en ik vind dat zeker zo leuk - gewoon tonpraoter. Maar wat hij brengt - zijn buut: hoe heet die? Een praatje?

Mikpunt

Goed. Het woord buut is niet langer beperkt tot de vastelaovend en omstreken. In Dagblad De Limburger en het blad van Veldeke vergeleek de taalkundige Rob Belemans, verbonden aan de Universiteit van Leuven, het voorstel van de Partij Nieuw Limburg om te komen tot een geschreven eenheid voor het Limburgs met een nog niet rijpe buut. Hier wordt een buut dus opgevat als een - misschien geen al te serieus - betoog.

Nu ziet een journalist van pakweg het Algemeen Dagblad dat artikel, hij wil zich verdiepen in de kwestie, maar wat is in sjaopsnaam een buut? Hij pakt zijn v. Dale en heeft volgens dat gerenommeerde woordenboek de keus uit de volgende mogelijkheden: mikpunt, doel, oogmerk of eindpunt bij loopspelen, kortom: het Franse woord but, dat ook nog doelpunt betekent. Volgens het woordenboek van Maastricht (met nogal wat Franse invloed) is buut eenvoudigweg: doel.

Tenenkrommmend

Daar zit je dan. Ik wil eerst opmerken dat ik het echt ergerlijk vind van de baashebbers van v. Dale woordenboek dat ze onze betekenis van buut niet op willen nemen. Dat woord staat jaarlijks tientallen malen in de Limburgse kranten en weekbladen, van november tot tegen maart. Er is - zoals gezegd - geen adequaat Nederlands woord voor, dus waarom wel woorden uit andere talen opnemen en verklaren, niet uit het Limburgs?

Nou ja: er staat nu wel (voor het eerst) buutreedner in het gezaghebbende woordenboek, in een eigen spelling weliswaar, maar de verklaring is tenenkrommend: "feestredenaar die tijdens de carnaval optreedt." Hier vloekt - tussen haakjes - v. Dale ook nog voor eigen parochie, want het woord carnaval staat een aantal pagina's verder uitsluitend als het-woord vermeld - DE carnaval is Limburgs, maar ook ouder Nederlands. Maar waar het om gaat: een feestredenaar huldigt iemand, die zal niet al te kritisch zijn. En dat wil een buut vaak. In het woordenboek van Venray vond ik als verklaring: Uilenspiegelrede. Mooi: de spitse Tijl die ons een spiegel voorhoudt.

Kuupkalster

Probleempje nog: een vrouw drong door tot de finale, Carolien de Bie uit Herten, die als Moerbleumke optrad. Moeten we haar nu ook buutteredner noemen, of -reedner? Of moet je laten zien dat dat een vrouw is? We spreken immers nog altijd over spreekster - en het Duitse reden betekent praten, spreken. Een spreekster is een Rednerin, maar dat is moeilijker uit te spreken. Nou kan ik wel kuupkalster voorstellen, dat had best een geaccepteerd woord kunnen zijn - maar het bestaat niet. Dan maken we het toch, want de Friezen bepalen jaarlijks tientallen Friese woorden voor nieuwe zaken en begrippen. Journalisten nemen die braaf over - zo zit dat. Een taak voor de streektaalfunctionaris?

Waalse kramers

Het woord buut voor sjaele vastelaoveskal is ontleend aan de ton waarin de tonpraoter staat. Die ton wordt in half Zuid-Limburg nu nog buut genoemd, Duits Bütte. In het land van Weert is buut een kuip - een soort ton dus. Het woordenboek van Susteren heeft büt - maar dat kun je moeilijk anders uitspreken dan als /buut/, De woordverklaring is een beetje problematisch. Als eerste betekenis staat er: kuip van ander materiaal dan hout - dus een teil (tweede verklaring), en dan volgt: ton (met carnaval). Je zou kunnen veronderstellen dat die niet van hout is. Allei: bier erover.

Sittard meldt naast buut het verwante woord bot: een aarden pot. Dat is hetzelfde woord als het woordenboek van Valkenburg (eerste druk 1917) heeft: bot - rugkorf uit dunne latjes, meestal door Waalse kramers gebruikt. Dat van Heerlen uit 1884 meldde: een open rugkorf, naar beneden spits toelopend.

Botje bij botje

In het Middelnederlands was een botte (ook bute en but - daar heb je ons woord) een draagkorf, dus een mand. Mensen die vaak met manden sjouwden, werden botdragers genoemd, en daar hebben we de uitdrukking botje bij botje leggen aan te danken. Dat zit zo. Er kwam een munt met een leeuw die een toernooihelm droeg. Die helm leek op een mand, zodat de munt eerst botdrager heette en daarna bot of botje. Volkshumor van eeuwen geleden.

Terug naar onze buut - een mooi voorbeeld van een oud, vrijwel in onbruik geraakt woord (al wordt het hier en daar nog gebruikt), dat een nieuwe en naar het lijkt schitterende toekomst heeft. We kunnen ermee aan de geng, als we eerst het woord uit de ton tillen. Zou je niet kunnen zeggen, tegen iemand die grappig probeert te zijn: Jungske, doot neet zo buterig - of is het buuterig?

Een kleine koe

Ik heb het tot nu toe alleen over buut gehad. Zorgvuldig het meervoud vermeden. Want zo'n buut mag dan wel helemaal Limburgs zijn, we weten nog niet hoe we het meervoud moeten schrijven, of een samenstelling als buutteredner. Meestal zie je een verdubbeling van de t, om aan te geven dat we weliswaar uu schrijven, maar dat die klank korter is dan de uu van kuut (kuit). Het Nederlands heeft zulke problemen niet. Overigens los je dit probleem op door van buutkampioenschappen te spreken, maar dat doen we nu eenmaal niet. Hoewel: v. Dale heeft dus (al?) buutreedner.

Benieuwd of de aangekondigde derde of vierde wijziging van de spelling van Veldeke hierover wat te zeggen heeft. Het gaat om het verschil (in enkele dialecten dan) tussen kuke (kuiken) en kuukke (een kleine koe), of tussen dieke (dijken) en eine diekke (dikke man). Hier moet eens een beslissing genomen worden. Kies je voor diekke en buutte (meervoud van buut), dan zou je ook Griekke moeten schrijven, want die /ie/ is kort, niet lang zoals in die rieke sjtinkers.

Ach: laten we de Grieken Greke noemen - dat werkwoord is tevens: huilen. Waarmee niets gesuggereerd is.