Oos Taal - aflevering 06 - 31 januari 2001

Tenters mit tieskes in 't puulke

Het nieuwe jaar is al weer een maand oud en ik wil nog wat over Nieuwjaar kwijt.
Een lezer belde me over de nujaor aafwinne. Dat gebruik is nog bekend in Noord-Limburg, in elk geval in de streek rond Helden. Kinderen moe(s)ten 's morgens als eerste vader en moeder Zalig Nieuwjaar zien te wensen. Lukt dat, dan krijgen ze een gulden. Ze hebben gewonnen zogezegd, maar dit is een klein beetje ander winnen dan bij sport.

Je wint van de ouders omdat - zegt het Woordenboek Nederlandsche Taal - je net iets eerder doet dan een ander, of eerder klaar bent. "Veel heil en zegen in het nieuw jaar. Dat heb ik u mooi afgewonnen", lees ik.
Is dat allemaal voorbij? Dan maar een uitdrukking nog die bruikbaar is: ich höb het de zón aafgewónne, oftewel: ik was vroeger aan het werk dan de zon.

Winnen is ook: verkrijgen. Denk aan het winnen van steenkool of de grindwinning langs de Maas. In de Haspengouw - de leemstreek van Vlaams Limburg, bij Maastricht euver de päöl, worden groete häöf - hofsteden - winning genoemd. Hetzelfde woord natuurlijk. Ik denk dat het betekent: ontgonnen dus gewonnen grond.

Bier winnen
Een betekenis die je niet meer hoort is die van: een kind winnen. Het evangelie van Mattheus begint met de geslachtslijst van Jesus, dus wie zijn voorvaderen waren. In vroegere uitgaven van het Nieuwe Testament vind je nog dat woord winnen, maar ook in oudere kerkboeken. Zoek het evangelie van 8 september op, Maria Geboorte, daar staat: "Isaac won Jacob. Jacob won Juda en zijn broeders", en even verder: "Booz won Obed, bij Ruth. Obed won Jesse. Jesse won David, de koning."
Eine knien laote winne was: de moor (laote) biezitte, bij de raekel, zodat ze jongen kreeg. En daarom schuiven mannen nog steeds hun leeg glas richting kastelein met het verzoek: Laot 'm nag ins winne, waarbij de vraag wie met dat häöm bedoeld wordt, niet zo belangrijk is.

Geer tenters
Mooi Limburgs is natuurlijk wat anders dan oude vrijwel vergeten woorden oprakelen. Ik hoorde van een nichtje, die lerares is aan een school voor moeilijk hanteerbare kinderen, dat ze de klas (het meubilair) maar weer eens ómgetent had. Alles op een andere plaats gezet. Prachtige uitdrukking - en zeker niet negatief. Ik herinner me van vroeger: die höbbe zich get biejeingetent - van alles bij mekaar gezet, zonder veel orde of smaak. Het woordenboek van Echt verklaart het woord tente zo: bezig zijn met plaatsen en herplaatsen, opstapelen, ook: rommelen. Voorbeeld: die tente zich get op einen houp, en: zit ins alles net op zien plaats, geer tenters.

Dat zijn weer wat bruikbare woorden voor de heropleving van oos Taal. Jammer dat zo weinig mensen in het Limburgs schrijven, want dan zouden deze woorden meer kans hebben te overleven.

Tem(p)tasie & Co
Interessant is hoe dit tente ontstaan kan zijn. Stamt het uit de tijd van de eerste tenten, en zag de gewone man meewarig toe hoe mensen (Hollanders, betere lui?) stonden te fisternulle met hun tent? Of zou het Franse werkwoord tenter: proberen, wagen, van invloed zijn geweest?
Tenter betekent ook nog: bekoren (en leid ons niet in bekoring, weer dat Nieuwe Testament), in verleiding brengen. Daar komt ons woord tem(p)tatie vandaan: kwelling. Nou ja: ons woord - het komt ook in het Nederlands voor, maar daar lees ik het zelden of nooit. Het erbij horende werkwoord temtere betekent: plagen, judassen. Vliegen kunnen je temtere, maar ook kinderen. Kats - auteur van het woordenboek van het Roermonds - spelt overigens tamtere, naar de Franse uitspraak, en ook: tamtasiej. Paul Prikken is in zijn woordenboek de taal van de Maas niet zo consequent. Hij heeft het over tamtere en tentasie, evenals het Venlo's woordenboek: tantere (kwellen) en temptasie - kwelling. Bruikbare woorden - even de juiste spelling afspreken.

Poel aan de moel
Carel Ververs (afkomstig uit Tegelen) belde me het woord poelke door. Een zakflesje, zoals jagers dat hadden - zei hij. Hij denkt dat het woord van het Latijnse ampulla komt, oorspronkelijk een zalfflesje. Wij kennen de ampullen uit de kerk: kannetjes voor wijn en water - familie dus van de (bier)pul.
Ik dacht dat poelke een oud(er) woord zou zijn. Maar dat bleek verkeerd. Het woord leeft in de mijnstreek nog, weet Joep Douven uit Brunssum. Je zou nog kunnen horen: Gaef det kindj de poel - de fles. Ook een warmwaterkruik werd zo genoemd. Gaan we gewoon doen: 4 tegen 14 letters.

Mijnwerkers dronken beneden uit een kóffiepoel, herinnert hij zich. Dat woord staat op bladzijde 36 van deel II aflevering 5 van het Woordenboek Limburgse Dialecten, over de taal van de mijnwerker, als "de blikken fles waarin men drank, meestal koffie bewaart" - nou ja: bewaren doet denken aan dagen, weken, maanden. Deze "fles" (ook al zo'n onduidelijk woord) heette ook gort of tuitje, maar het algemene woord was was bleek, blaek of bleech - plus andere varianten van het woord blik.

Plat drankflesje
En dan heb je voor je het weet ei gans sjaap van die spullen bij mekaar. Tijd om te ordenen. Allereerst: we spreken af dat het verkleinwoord van poel puulke is - niet poelke, zoals Ververs meende. Een kleine kuil (koel) immers is ei kuulke, me guf zich waal ins ein moel mer meis ei muulke.
Vervolgens: we houden 't puulke bovengronds. Zo wil dat ook het woordenboek van Kerkrade, toch de belangrijkste mijnzetel. Koempels zetten d'r blèch aan de mond, de poel is een zuigfles (als in Brunssum), en een plat drankflesje, ik citeer: deë hat ummer e pülsje in tèsj.
Joep Douven omschrijft dat ding zo: een metalen drankflesje, enigszins plat van formaat, waarin sterke drank wordt meegenomen in de binnenzak van een kostuum." Dat zie je nog met carnaval en winterse voetbalwedstrijden, waarmee bewezen is: 't puulke is onder ons.

Fin in de tesj
En je kunt het gewoon kopen, bij de Kijkshop - zag ik. Daar wordt het platvink genoemd. Oorspronkelijk was dat (in de Amsterdamse boeventaal) een portemonnee of vaker portefeuille, waarbij dat plat voor plaat staat: een vroeger algemeen woord voor geld. Van een rijke werd gezegd dat hij "veel platen" had - vergelijk lappen voor papiergeld.

Vink is het Rotwelsche fin(ne): beurs - dus een platvink is een geldbeurs, maar ook een flesje. Het zou me niet verbazen als dat woord in het Roermondse nog te horen is. Rotwelsch was de handelstaal tussen Maas en Rijn. Er moet nodig eens een inventarisatie van al deze bargoens genoemde woorden komen. Dat is iets voor de provincie Limburg: die geeft per jaar tonnen uit om onzin te laten onderzoeken.

Allei: het woord platvink is nu - zo bleek me - ook de hogere bazen van de Kijkshop volstrekt onduidelijk: 'plat' wordt opgevat als: niet dik.

Sjpakenke
Maar we dwalen af. Ik kwam voor drinkfles nog boebel tegen, in het nieuwe woordenboek van Heerlen. Kerkrade spelt boebbel: flesje sterke drank ( de platvink), maar ook: kletstante. Een gevolg van zo'n platvink uitboebelen?

Twee: meen nou niet dat dat puulke alleen onder koempels en jagers bekend was. Ook André Moens uit Velden kent het. Hij leerde het in Leuven kennen: een drinkkannetje dat arbeiders meenamen naar hun werk. Luierde je op school, zegt Moens, dan kreeg je te horen: "Als je niet beter je best doet, moet je straks met het poelke gaan werken."
Dat dreigende poelke herinnert Moens zich als een metalen kannetje met een sluiting, "zo'n ringetje als op een flesje Grolsch."

Juist - dat kannetje noemde ik vroeger ei sjpakenke - en het ziet er precies hetzelfde uit als de getekende blèch in het woordenboek van Kerkrade. Dat sjpakenke heb ik nog niet in woordenboeken gevonden, en ik heb er evenmin een goede verklaring voor. Het woordenboek van Echt spreekt van sjpaajkan, maar dat zou een "aarden drinkkruik ten gebruike in 't veld" zijn. Hier lijkt een verband met sjpaje (graven) gesuggereerd. Ik heb mijn twijfels - en hou me aanbevolen.

Eine laeren ties
Daarom nog een woord waar ik mee zit. Toos Lamers verraste me met een paar tieskes: pannenlappen. Ik had het woord kunnen kennen. Mijn schoonmoeder schijnt het gebruikt te hebben, en het woordenboek van Tegelen verklaart: tieske - zelf gebreide pannenlap, ook kwezel genoemd. Dat laatste staat in v. Dale: lapje om hete voorwerpen mee beet te pakken. Mooi - maar als oos Taal ons lief is spreken we voortaan van tieskes plaats pannenlappen.

Waar zit ik nu mee?
Met de laeren ties. Staat in het woordenboek van Roermond, maar zonder echte verklaring. Het zou zijn: alles wat taai is. Ik meen dat mijn vader een stuk droog, hard vlees eine laeren ties noemde: een stuk vlees als een lap. Wie helpt?