Aflevering 01: 31-10-2000

Sjtoekrenner in de dómmeling

Een nieuwe rubriek. Die moest een naam hebben - en ik heb daar niet lang over na hoeven denken. Ik wil(de) een rubriek over wat me zo dierbaar is: de Limburgse taal, en dan kom je onmiddellijk op: oos Taal.

Een taal dus. Ik had ook voor Oos Limburgs kunnen kiezen, maar dan krijg je weer het gedoe dat het Limburgs niet bestaat - misschien bestaat Limburg wel niet, hoor je vaak genoeg beweren. Nou ja: de mensen langs de Maas van waar die bij Navagne Nederland binnenkomt tot waar ze westwaarts buigt spreken geen Hollands, Frans of Fins, maar koesteren hun eigen taal, oos Taal.

Taal met een hoofdletter, om duidelijk te maken dat het Limburgs wis en waarachtig een taal is. Anno 2000 menen tienduizenden Nederlanders nog dat Limburgs niets anders is dan een anders, want zangerig uitgesproken Nederlands, met gerekte klinkers en een zachte G.

Ja - wat doe je daaraan? In Holland leer je op school niet dat er nog andere talen gesproken worden in het rijk van Beatrix. En zeker niets over de geschiedenis van het Nederlands. Onze woorden hoes en huus (vooral in het noorden van Limburg) heten dialect, huis is het "beschaafde" woord. Maar die ui-klank bestaat pas sinds de zeventiende eeuw. Daarvoor sprak ook heel Holland van huus. Maar omdat Holland mede door de Duitsers van Nassau de machtigste provincie werd, werd huis het Nederlandse woord, en noemen we huus, van Horst tot Roodeschool gesproken, gemakshalve dialect. Ach ja.

Maar goed: het gaat mij niet om uitspraak. Sterker nog: uitspraakverschillen interesseren me niet veel. Het gaat mij om woorden, Limburgse woorden die het Nederlands niet of niet meer kent. Dat zijn er veel meer dan men denkt. Vele duizenden. Die woorden komen zich hier showen - om te laten zien hoe rijk onze taal is. Onze: van Kerkrade tot Mook.

Schrikdraad

Woorden boeien me - enorm. Woorden zijn belangrijker dan oude stenen, zei de Vlaamse dichter Gezelle. Ook oude woorden. Ik hoorde dat je voor de Tweede Wereldoorlog tot in Maasbracht het woord sjtoekrenner kon horen. Dat was een wielrenner. Tussen haakjes: dat Nederlandse woord is een beetje dwaas eigenlijk. Het doet denken aan de loopfiets. Die sjtoekrenner heette natuurlijk zo omdat hij op de pedalen stampte - stoempen zouden we nu zeggen. Het woord zal niet meer terugkeren. Maar daarmee zijn we niet uitgestoekt. Ik hoorde in Helden het woord sjtoekdraod: schrikdraad. Een veel beter woord, want je hoeft niet te schrikken van de schok die je krijgt.

Waar het mij om gaat: hier hebben Limburgers een eigen woord gemaakt om iets nieuws een naam te geven. Ik denk dat de elektrische draad er eerder was dan het Hollandse woord. Boeren moesten dus zelf een woord verzinnen. Bij de sjtoekrenner zal het idem dito gegaan zijn. Hulde. Nu vernemen we van bijna alle nieuwigheden eerst het woord (uit Amerika afkomstig meestal), dan komt het spul zelf.

Autocoureur

De sjtoekrenner bereikte mij het eerst vanuit Kerkrade - en ik kreeg de verklaring erbij. Het woord zou afkomstig zijn van de Duitse autocoureur Hans Stuck. Ik twijfel daar hevig aan, maar kan ik wat bewijzen?

In de dieksiejoneer van Kerkrade, waar zo'n dertig jaar aan gewerkt is, staat als verklaring van sjtoekrenner: spottend voor iemand die denkt dat hij hard kan fietsen. Zou je zo iemand met een autocoureur vergelijken? Het kan natuurlijk.

Opgelost zou de kwestie zijn als je het woord sjtoekrenner aantrof jaren voordat Stuck voor het eerst in een auto zat. Maar ja: er is te weinig geschreven in het Limburgs - zeker in die tijd.

Echts en Brabants

Kerkrade ligt in het zuidoostelijkste deel van Limburg, achter Helden houdt het Limburgs op: de Peel vormt een duidelijke grens tussen Limburgs en Brabants. Nou vind ik het zo mooi dat Helden een woord als sjtoekdraod heeft, met dezelfde sjtoek als de wielrenner van Kerkrade. Want het algemene misverstand is dat mensen van Helden die van Kerkrade absoluut niet kunnen verstaan. Kom nou: kwestie van willen.

Ook elders sjtoekt het danig. Het woordenboek van Susteren heeft sjtoeke: stuiken, duwen, stompen, en sjtókke, met als betekenissen: stoten, stuiten, stompen. Dat zijn dus duidelijk dezelfde woorden - waarom dan een verschil in spelling? Sjtókke zou ook nog een andere betekenis hebben: op iemand kunnen vertrouwen. In Echt is dat s(j)tokke. S(j)toeke is er: stoten, hardhandig duwen. Mag ik opmerken dat je beter één woord kunt gebruiken - als je schrijft tenminste. De uitspraak mag best overal anders zijn.

Sjtoekgeldj

Wiel S(j)labbers uit Swalmen maakte me attent op de uitdrukking eine sjtoeke: iemand geld geven of lenen, zegt hij. Ik hoorde het ook in Ransdaal: mót ich sjtoeke? - geld bijpassen. Die uitdrukking is uiterst belangrijk, want dat gebeurt nog altijd. Waarom zou je die uitdrukking niet - af en toe - voor sponsoren kunnen gebruiken? Hae haet zien kloep rievig gesjtoek, mer nag sjtaon ze óngeraan.

En steekpenningen (smeergeld) noemen we voortaan sjtoekgeldj.

Over sjtoeke is veel te vertellen. Het komt (nog) overal voor. In een woordenboekje van Arcen en Lomm staat: ik kreeg toch enne stoek toen ik het striëkiëzer aanzat. Mooi. Ik ga me niet bemoeien met de spelling iëzer of iezer: dat zijn kleinigheden, maar ik wil wel pleiten voor wie plaats het Nederlandse toen. U zingt toch ook in de lommer van Arcen: Wie ich nag ei jungske waas - of woor?

Moekefoek berappe

Arcen - dat is nog helemaal Limburg(s). Nog noordelijker echter, een eind boven Horst, daar spreekt men toch geen Limburgs meer - hoor je vaak.

Misverstand. Ja: enkele klankkenmerken zijn minder Limburgs. Daarom noemen taalkundigen de dialecten noordelijk van Horst tegenwoordig Kleverlands: van het Land van Kleef. Beetje andere klanken, maar je hoort er de prachtigste woorden. Ik pluk uit het woordenboek van Gennep moekefoek: slappe koffie, berappe (betalen), en druze: (opgezette) klieren. Die woorden zoek je vergeefs in een Nederlands woordenboek. Een zakmes is ook daar ein kniep, en wat dacht u van het woord dómmeling? Dat betekent schemering. Ik ben - geloof het of niet - ontroerd door zo'n woord.